Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aanleiding te geven tot ernstige kritiek, had in Indië in 1921 niet mogen gebeuren. Het beroep op hetgeen hier te lande in 1914 bij de Wet op de inkomstenbelasting was geschied, dat op bl. 12 van de M. v. T. (Bijl. Handelingen 1920—'21, 565,3) werd gedaan, was' dan ook op het oogenblik dat het geschiedde, reeds weinig steekhoudend en het verloor in het tijdsverloop tusschen de indiening van het ontwerp tot aanvulling der Indische begrooting en de vaststelling der Ordonnanties van 1921 alle kracht.

De wijziging zou trouwens niet zijn opgenomen, indien men er — zooals hierboven onder par. 32 werd in herinnering gebracht — niet, en dan nog wel in verband met de allerbedenkelijkste verleening van terugwerkende kracht aan de belastingverordening, op uit was geweest, in 1921 en 1922 belasting heffende over het-jaar 1920, het volle aandeel van de hooge winsten over 1919 en 1920 voor de schatkist te heffen, zonder zich er over te bekommeren, dat dit exceptioneel jaren waren, die in een oorlogswinstbelasting konden worden betrokken, en reeds betrokken waren, maar die in blijvende belastingen als de inkomsten- en de vennootschapsbelasting niet uitgepikt hadden mogen worden, zonder te létten op de moeilijkheden waarin men zich in 1917 en 1918 bad bevonden, - moeilijkheden die natuurlijk ook op de winsten der vennootschappen terugsloegen — en zonder zich rekenschap te geven van de ernstige crisis, die op het tijdstip, waarop de herziene Ordonnantie tot stand kwam, reeds in vollen gang was en welke ook het Indische Gouvernement had kunnen en derhalve had behooren te voorzien.

Hoewel in het rapport over de „Statistiques Monétaires" ter voorbereiding van de Internationale Financieele Conferentie te Brussel, gehouden in het najaar van 1920, welk rapport van Juli van dat jaar dagteekent en m Augustus verscheen, al werd gewezen op het „feit, dat reeds reactie in de prijzen is te constateeren" en met het inzetten van een crisis, die van verschillende kanten was aangekondigd, moest worden gerekend, werd in de Memorie van Toelichting bij het op 16 September 1920 ingediende Wetsontwerp tot wijziging en nadere aanvulling der begrooting van middelen van Nederlandsch-Indië voor het dienstjaar 1920 (Bijlagen, Handelingen Tweede Kamer 1920-'21, 565) nog geschreven:

Waar het (door de. Indische Regeering) als vaststaande werd aangemerkt, dat in de komende jaren nog veelvuldig buitengewone winsten zouden worden gemaakt " (bl 2/3). Alleen uit die miskenning van de teekenen van de naderende crisis is ook te verklaren, dat de Minister van Koloniën in hetzelfde stuk - doelende op de productenbelastingen — kon schrijven: „Het ligt m de bedoeling van ondergeteekende om deze bijzondere heffingen, waarvan .....

de opbrengst al dadelijk met groote mate van nauwkeurigheid kan worden geraamd, gedurende drie opeenvolgende jaren (1920, '21 en '22) te vorderen' . (bl 7).

Om niet misverstaan te worden, voeg ik hier aanstonds bij dat, indien men de

Sluiten