Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van den fiscus ten grondslag ligt, evenwel niet zoo scherp uit als in de zooeven aangehaalde woorden wordt gedaan. Daardoor kon, hoewel ik tegenover den Minister in diens bijzijn herhaaldelijk wees op het practisch onuitvoerbare en het tot allerlei onbillijkheden leidende van de uitlegging, welke door de Indische belastingadministratie aan art. 25 wordt gegeven, niet zóó positief er tegen worden aangevoerd, dat het in flagranten strijd is met het uitgangspunt van de progressieve extra winstbelasting.

Thans kan dat wél. Boven onder par. 20 werd betoogd dat progressie in een vennootschapsbelasting geen behoorlijk gefundeerden rechtsgrond heeft. De belastingwetgever moet evenwel voor zichzelf toch een rechtsgrond hebben geconstrueerd en deze kan dan wel geen andere zijn geweest dan dat, naar gelang de vennootschap krachtiger is, welke kracht blijkt uit haar winstpercentage, zij niet slechts absoluut, maar ook relatief meer in de lasten van den Staat bijdragen kan en moet. Wat komt nu van dat uitgangspunt terecht bij de opvatting welke de belastingadministratie van art. 25 der herziene Ordonnantie op de inkomstenbelasting 1920 huldigt? Dit kan het gemakkelijkst uit enkele voorbeelden duidelijk worden gemaakt.

Nemen wij eerst als voorbeeld twee vennootschappen, elk met een nominaal kapitaal van ƒ 1.000.000. De eene heeft in de oorlogsjaren de helft van haar kapitaal verloren, de andere heeft in dien tijd nog juist zonder verlies kunnen uitkomen Welke van die twee de krachtigste is en bij een gelijk winstpercentage over haar nominaal kapitaal het meest in aanmerking zou komen voor een hoogeren aanslag is, van het uitgangspunt der extrawinstbelasting uit geredeneerd, niet twijfelachtig. Gesteld nu, beide vennootschappen maken over 1919 een by uitstekgunstig bedrijfsjaar en hebbeneen belastbare winst(na aftrek van de inkomstenbelasting) van ƒ 300.000. Aangenomen nu, dat de Ordonnantie reeds volgens de inzichten van den Hoofdinspecteur van Financiën, die in deze de opvatting van de administratie vertolkt, was gewijzigd, dan zou de vennootschap, die in de vorige jaren ƒ 500.000 had verloren, geacht worden haar winst te hebben gemaakt met een kapitaal van ƒ 500.000, en dus 60% hebben verdiend, de tweede die geen verlies had geleden, slechts 30%. De eerste zou dan worden belast met 6% over ƒ250.000 of ƒ 15.000 + 8% over ƒ 175.000 of ƒ H.000 + 10% over f 50 000 of ƒ 5000, dus in totaal met ƒ34.000 extra winstbelasting (boven en behalve de inkomsten- en de overwinstbelasting). De tweede daarentegen zou worden belast en wordt belast met 6% over ƒ 200.000 of ƒ 12.000 + 8 /. over ƒ 50.000 of ƒ 4.000, dus te zamen met ƒ 16.000.

In het door den Indischen fiscus voorgestane stelsel zou dus de zwakkere der beide overigens in gelijke conditie verkeerende vennootschappen meer dan dubbel zoo zwaar worden belast als de sterkere, terwijl de eerstbedoelde de eerste jaren achtereen een belangrijk deel van haar winsten, zoo niet het volle pond

Sluiten