Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ervan, moet reserveeren om op het bedrag van haar oorspronkelijk kapitaal te komen.

Misschien zal men hiertegen aanvoeren, dat deze averechtsche wijze van belasting volgens de Ordonnantie, zooals zij thans luidt, niet mogelijk is. Dit is juist, voor zoover betreft het niet rekening houden met verlies van een deel van het oorspronkelijke vennootschappelijk kapitaal, zoolang er geen afschrijving op de aandeelen heeft plaats gehad. Ik gaf het voorbeeld dan ook alleen om de met alle gevoel van billijkheid strijdende consequentie van de opvatting van den fiscus omtrent de bedoeling der progressie in de extrawinstbelasting duidelijk te maken.

Maar nu de toepassing van letter e van art. 25, zooals de Indische fiscus die — zonder dat er wijziging der Ordonnantie voor noodig is — van plan is in praktijk te brengen. Ook hier spreken voorbeelden het duidelijkst. Opnieuw stel ik twee vennootschappen naast elkaar, beide met een oorspronkelijk kapitaal van ƒ i .000.000. Beide hebben van hunne winsten zooveel gebezigd tot verhooging van haar kapitaal, dat dit bijv. in 1914 voor beide was gestegen tot f 2,000.000. De eerste vennootschap leed echter in de oorlogsjaren zooveel verlies, dat op 31 December 1919 nog maar f 1.200.000. aanwezig was, terwijl de tweede het oorlogstijdperk zonder verlies doorkwam. Beide vennootschappen maakten over 1919 een winst van ƒ 600.000. Volgens de opvatting van den fiscus nu wordt het kapitaal, „dat medegewerkt heeft tot het verkrijgen van de winst" over 1919 voor de eerste der beide vennootschappen gesteld op f 1.200.000, voor de tweede op f 2.000.000. De eerste wordt derhalve aangeslagen met 6 °/0 over f 480.000 of f 28.800 + 8 70 over f 300.000 of f 24.000, dus in totaal met f 52.800; de tweede met 6 °/0 over ƒ 400.000 of ƒ 24.000 + 8% over f 100.000 of f 8.000, dus in totaal met f 32.000.

Deze voorbeelden stellen buiten twijfel, dat de wijze, waarop de belastingadministratie zich voorstelt art. 25 der herziene Ordonnantie op de inkomstenbelasting 1920 toe te passen, er toe leidt, dat wanneer een aantal vennootschappen, in elk waarvan een gelijk kapitaal werd ingebracht of door terughouding uit gemaakte winsten werd opgezameld, in een bepaald belastingjaar een gelijk bedrag aan winst maken, diegene onder haar absoluut en relatief het zwaarst belast worden, die in voorafgaande jaren het meest hebben verloren en omgekeerd. Dit is met de meest elementaire begrippen van recht en billijkheid zoozeer in strijd, dat het de bedoeling van den wetgever niet kan geweest zijn.

En nu stelle men zich eens voor, wat er van deze wijze van toepassing in de toekomst moet terecht komen, als men het eene jaar na veel geschrijf en gewrijf zal hebben vastgesteld tot welk bedrag uitgegeven bonusaandeelen door den fiscus worden erkend enhet volgendjaar moet nagaan, ofniet een deel daarvan door gele-

Sluiten