Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij de behandeling dier ordonnantie in de Staten-Generaal en wel in de Eerste Kamer ter sprake In de vergadering van die Kamer van 24 December 1907 (Handelingen Eerste Kamer 1907—1908) zeide de heer van Nierop, sprekende over de inkomstenbelasting in Ned. Indië en het daarin opgenomen zijn ook van de belasting op naamlooze vennootschappen:

„De fout van alle wetgevingen en ook de fout van deze verordening is, de Minister van

Koloniën duide mij dit niet ten kwade, dat de naamlooze vennootschap- is belast met de

inkomstenbelasting.

Men vindt dit ook in de Nederlandsche bedrijfsbelasting, maar ook daar is het niet juist. De naamlooze vennootschappen had men door eene speciale belasting moeten treffen.

Dan-had men niet geredeneerd, zooals de heer Rahusen in deze vergadering gedaan heeft. Was er een afzonderlijke belasting op de naamlooze vennootschappen of rechtspersonen, dan zou niemand op het denkbeeld zijn gekomen, dat men rekening moet houden met het inkomen van den aandeelhouder, want men had dan begrepen, dat de belasting een zakelijke is, zooals ook werkelijk het geval is". Als terugslag op die opmerking zeide de Minister van Koloniën, de heer Fock, in dezelfde vergadering (Handelingen blz. 100):

„Het is waar dat, zooals de heer van Nierop heeft gezegd, de naam „Inkomstenbelasting" voor die naamlooze vennootschappen eigenlijk onjuist is. Het ware misschien beter geweest wanneer die belasting afzonderlijk was geregeld, afgescheiden van de inkomstenbelasting voor de physieke personen, maar dat is slechts een quaestie van vorm, die tot de zaak niets afdoet, en dus feitehjk van weinig belang is. Ik ben het met den geachten afgevaardigde eens, dat m deze belasting veel meer zit een zakelijk dan een persoonlijk element. Het is de onderneming, die wordt belast". Het wil onzen Raad voorkomen, dat in het licht van het eenstemmig oordeel van verschillende Ministers, en van bij uitstek deskundige leden van de beide Kamers der Staten-Generaal, voor het zakelijk karakter van de belasting der naamlooze vennootschap, ook als zij in een wet of ordonnantie betreffende eene inkomstenbelasting is geregeld, moeilijk kan worden betwist, dat een juiste toepassing van art. 10 der ordonnantie op de Oorlogswinstbelasting j°. art 4 5« lid van de ordonnantie van 1908 op de Inkomstenbelasting medebrengt, dat, voor zoover de'zoogenaamde „inkomstenbelasting van in Ned. Indië werkende vennootschappen en andere dergelijke rechtspersonen wordt geheven, het bedrag dier „inkomstenbelasting", als zijnde eene zakelijke met de verponding m aard overeenstemmende heffing, bij de berekening van het zuiver inkomen voor den aanslag in de Oorlogswinstbelasting in mindering mag worden gebracht

Wy hopen dat Uwe Excellentie termen zal vinden eene aanschrijving in dezen geest te richten aan de ambtenaren, aan wie de heffing der Oorlogswinstbelasting is opgedragen. Met verschuldigde hoogachting heeft hij de eer te zijn

Uwer Excellentie's dienstwillige dienaar,

Be Ondernemersraad voor Nederlandsch-Indië, (w. g.) TREUB. (w. g.) A. G. N. SWART.

Sluiten