Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3. de totale zuivere winsten in de jaren 1908 tot en met 1919 behaald, van welke bij de vaststelling der aanslagen in de Indische Inkomstenbelasting werd uitgegaan;

en vermindert deze som met:

4. de bedrijfsverliezen in de jaren 1908 tot en met 1919 geleden, voor zoover deze bij de bepaling van het belastbaar inkomen ingevolge art. 9, § 4 der Ordonnantie 1908 niet reeds in rekening werden gebracht;

5. de dividenden, tantièmes en verdere uitdeelingen over de jaren 1908 tot en met 1919-

6. de belastingen in Indië en Nederland van de vennootschappen over de jaren 1908 tot 'en met 1919, voor zoover deze niet als onkosten werden toegelaten bij de bepaling van het winstcg'fer voor de aanslagen in de Inkomstenbelasting, volgens de Ordonnantie van 1908.

Het aldus gevonden saldo geeft het kapitaal op 31 December 1919 weer.

Toelichting.

Het Algemeen Bestuur is tot de aanbeveling van dit stelsel bij de toepassing van art. 25 letter c van de Ordonnantie op de Inkomstenbelasting gekomen op de volgende gronden.

Het heeft het groote voordeel, dat daarbij geen discussies met de belastingadministratie noodig zijn over alschrijvingen, welke slechts als compensatie voor waardevermindering van onderdeden van het bedrijfskapitaal strekken, en die dus niet als „affectieve" stortingen (d. w. z. gedeelten van de winst die tot verhooging van het bedi-ijfskapitaal werden gebezigd) in aanmerking komen, en diè afechrijvingen, welke, omdat zij hooger loopen, een stille reserve hebben gevormd.

Bij het stelsel van de aantooning der zoogenaamde affectieve stortingen, waarbij de afschrijvingen en reserves worden beoordeeld in verband met de waardevermindering van gebouwen, machinerieën, aanplantingen enz., heeft men niet uitsluitend, en zelfs niet in de eerste plaats met objectieve gegevens te maken, maar komt zooveel aan op subjectieve waardeeringen, dat hierbij eindelooze besprekingen met de ambtenaren van de belastingadministratie niet te vermijden zijn, en bovendien de uitslag in de meeste gevallen, zoowel aan den belastingplichtige als aan den fiscus, onbevredigend toeschijnen zal. Zelfs nog voordat men van gedachten kan wissden over de vraag of byv. op machinerieën te veel of te weinig is afgeschreven, moet uitgemaakt zijn in welke onderdeden van het bedi-ijfskapitaal de openlijke en stille reserves belegd zijn. Dit nu is in de meeste gevallen niet vast te stellen en daar de afschrijving in den regel veel grooter zijn moet op machinerieën dan op gebouwen, om slechts één voorbeeld te noemen, bevindt men zich reeds op een terrein van ondersteüingen m plaats van feiten zelfs nog vóórdat men aan de bepaling van afschrijvingspercentages toe is.

De uitvoering van art. 25 letter c naar het stelsel van de waardeering van afschrijvingen en reserveenngen zou in verband met de zooeven aangewezen bezwaren bovendien zoo tijdroovend zijn, dat het jaren zou moeten duren, alvorens omtrent de aantooning voor alle belastingphchtige vennootschappen overeenstemming met den fiscus zou zijn verkregen. Het gevolg daarvan zou onvenrnjdehjk zijn, dat gedurende jaren achtereen voorloopige aanslagen zouden moeten worden opgelegd. Dit moge in de eerste plaats een bezwaar zijn voor den fiscus zelf, maar ook voor de belastingplichtigen heeft het groote nadeden, wanneer zij zoo langen tijd in het onzekere blijven hoeveel zij definitief zullen hebben te betalen, waarby volgens de bepalingen van de Ordonnantie van 21 December 1921 op de voorloopige aanslagen nog komt, dat zij gedurende al die jaren van hun recht van beroep zouden zijn verstoken.

Bij het systeem van aantooning dat hier wordt aanbevolen, vallen die bezwaren geheel weg

Sluiten