Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

overeenkomstig de aangifte op te leggen. Daarentegen werd bij Ordonnantie van 9 October 1921, welke voorloopige aanslag voor de Suikerbelasting mogelijk maakte, van den regel, in de bovenbedoelde wettelijke voorschriften vervat, op een belangrijk punt afgeweken. Ook m deze Ordonnantie wordt wel uitgegaan van de gedachte, dat de voorloopige aanslag overeenkomstig de aangifte moet geschieden, maar er wordt daaraan een voorbehoud toegevoegd, dat geheel in strijd is met het uitgangspunt, en het beginsel van den voorloopigen aanslag overeenkomstig de aangifte geheel op losse schroeven stelt. Er wordt daar n.1. aan den Voorzitter der Commissie van Aanslag de bevoegdheid toegekend, het juiste bedrag te begrooten voor uitgaven, welke naar zijn oordeel tot een onjuist bedrag zijn aangegeven.

Nog verder gaat in deze van de grondgedachte afwijkende richting de Ordonnantie van 20 December 1921, betreffende den voorloopigen aanslag in de Inkomstenbelasting. Hier wordt m het 2 8 lid van art 2 de eigen aangifte van den belastingphchtige «Heen dan tot grondslag genomen, indien hij aan den Inspecteur niet onjuist of onaannemelijk voorkomt. Het lid van dat artikel gaat nog verder, door te bepalen, dat voor zoover op den dag van de inwerkingtreding van de Ordonnantie nog geen aantooning van „affectieve" stortingen, als bedoeld bij art. 25 letter c van de Ordonnantie op de Inkomstenbelasting 1920, heeft plaats gehad, „door den Inspecteur wordt bepaald, welk bedrag voor de vaststelling van den voorloopigen aanslag als gestort kapitaal in rekening kan worden gebracht".

Hoewel de thans voor de Suikerbelasting en de Inkomstenbelasting geldende regelmgen van den voorloopigen aanslag in Nederlandsch-Indië op andere leest zijn geschoeid dan het oorspronkelijke wetsontwerp van Minister de Vries, gelden daartegen toch in hoofdzaak dezelfde bezwaren, die er aanleiding toe gaven, dat in de Tweede Kamer dat ontwerp ernstige bestrijding vond, op grond van de onbillijkheid en de verkorting der rechten van de belastingphchtigen, welke uit de voorgestelde regeling voortvloeiden.

In de Ordonnanties over dit onderwerp wordt, evenals in het bedoelde wetsontwerp, aan den belastingplichtige zijn recht van beroep tegen den voorloopigen aanslag ontnomen Dit nu kan - naar het oordeel van de leden van de Tweede Kamer die hun bezwaren tegen het wetsontwerp van Minister de Vries deden kennen, bij welk oordeel onze Raad zich geheel aansluit - met door den beugel. Tenzij de voorloopige aanslag overeenkomstig de eigen aangifte van den belastingplichtige geschiedt, behoort hem het recht te blijven er tegen op te komen, wanneer hij zich er door verkort en benadeeld acht. :

Wanneer de voorloopige aanslag geschiedt na slechts summier onderzoek van de aangifte door den bevoegden belastingambtenaar, moet het gevaar van verkorting der rechten van den belastingplichtige onvermijdelijk groot zijn. Indien de Commissie van Aanslag bij, het onderzoek van de (definitieve) aangifte van den belastingplichtige twijfelt aan de juistheid daarvan, schrijft art 56 van de Ordonnantie 'op de herziene Inkomstenbelasting 1920 voor^ dat hij in de gelegenheid ' wordt gesteld om nadere gegevens of opheldering te verstrekken. Deze ™*» de

Ordoiinantie van 20 December 1921 den belastingplichtige ontnomen. In dit verband isi de bending van art. 6, dat tegen den voorloopigen aanslag niet kan worden opgekomen, voordat deze definitief is geworden, toch wel zeer duidelijk in strijd met recht en billijkheid.

Indien het voorloog onderzoek slechts oppervlakkig geschiedt, „ het gevaar van n-t bedoelde willekeur van zelf aanwezig, en indien het ongeveer even nauwkeurig plaate heeft als voor den definitieven aanslag geschiedt, mist de geheele regeling haar doel, daar zij dan in 1^ belastingambtenaren van werk te ontlasten, dezen dubbel werk op de schouders legt, en den administratieven omslag vergroot in plaats van dien te verkleinen.

Bovendien geldt tegen de regeling, gelijk zij in de Ordonnanties tot wijziging van de Suiker-

Sluiten