Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De opstelling, door de Selliers voorgesteld en aanbevolen en op zijn gezag ook door generaal Hanoteau, was beslist verwerpelijk. Hoe is het mogelijk aan den inval van een sterke Duitsche macht weerstand te willen bieden, achter watertjes als de Velpe of de Gette (Vlaamsen Geete), beide zijriviertjes van de Demer, eveneens een kleine rivier van geringe beteekenis. En dan te spreken van een „aanleuning" der positie achter de Velpe of de Gette aan de Demer ! En dat, terwijl dicht langs de Duitsche grens een flinke rivier stroomt als de Maas; op zich zelf, met haar breedtevan 130— 140 M. van Namen tot Luik, reeds een terreinhindernis van beteekenis 1 Uit een oogpunt van strategie is dat vrijwel onzin, en de generaal de Selliers,die hiertoe heeft willen besluiten, toont reeds daardoor zijn gemis aan strategische bekwaamheid.

De strategie als wetenschap en ook de in tal van oorlogen opgedane ervaring leeren, dat in een geval als dat van België, de eerste tegenstand, de eerste poging om den vijandelijken inval te keeren, moet — en met goed gevolg ook alléén kan — worden geboden, door de groote rivier aan en langs de grens te bewaken en zoo krachtig mogelijk te verdedigen.

Het is waar, meestal slaagt een aanvaller er wel in een rivier, als waarvan hier sprake is, met geweld of bij verrassing te passeeren. Het doel is dan ook niet uitsluitend hem dat te beletten. Maar de verdediger moet de rivier nauwgezet bewaken, en daartoe ook op den vijandelijken oever, door vooruitgeschoven troepen, ophelderings- en verkenningsdienst doen verrichten. Voorts moet de hoofdmacht van het met de rivierverdediging belaste veldleger, op eenige nabijgelegen punten achter de rivier verzameld, tijdig gewaarschuwd kunnen worden en met snelheid kunnen oprukken

Sluiten