Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

afgerond, van boven puntig strookje hoorn ingelegd is. Het huis als voren, doch van gevlamd, bruin hout. Z.

L. «lemmet 32,5, br. 7,8, 1. greep 8, dm. 3,3, 1. scheede 35,3, br. 4, 1. huis 13 cM.

31/44. Kris, als voren, doch het lemmet met dertien bochten, de kimbang katjang getand, met bloedgroeven en grènèng, als voren. Ook de steelring en de greep als voren, doch de laatste puntig uitloopend. De scheede van roodbruin hout met geelkoperen schoen. Het huis als voren. Z.

L. lemmet 32,8, br. 74, 1. greep 9,8, dm. 3,6, 1. scheede 34, br. 4,5, 1. huis 16 cM.

370/278 en 1070/220. Als voren, het lemmet met vijftien (278) of met drie (220) bochten en met twee diepe bloedgroeven aan weerskanten van de middellijn en daarenboven met twee korte in het bovengedeelte. Bovenaan aan eene zijde een getande krul (kimbang katjang) en daaronder twee (278) of twee paren (220) uitsteeksels (lambe liman); de gandja aan de tegenovergestelde zijde en de snede daaronder scherp getand. Greep van bruin (278) of zwart (220) hout, als voren, doch geheel met snijwerk (bladranken en bloemen) versierd. Steelring van geelkoper, schotelvormig, met bladvormig drijfwerk. Scheede van dof (278) of gepolijst (220) gevlamd hout, met vooruitstekenden schoen. Huis als voren. De scheede van 278 van onderen en van boven met rood katoen omwonden, met gedeeltelijk vergulde gordellus en breeden gordel van rood katoen, met gouddraad doorwerkt. — 220 volgens opgave van den verkooper in de binnenlanden van Siam verkregen. Z.

L. lemmet 34,5 en 38, br. 7,5 en 9,3, 1. greep 7,5, dm. 3,2 en 3,3, 1. scheede 36,5 en 38,5, br. 4—15,5 en 5—16,5 eM.

Zie pl. IX, fig. 3 (1070/220).

e. Het lemmet gevlamd, de greep van been, hoorn of ivoor.

1599/612. Als voren, het lemmet gedamasceerd, met drie bochten, met een flauwen rug over het midden. Bovenaan twee korte bloedgroeven. Zonder krul of tanden aan de snede, de gandja flauw getand. Greep van ivoor, als voren x), geheel bedekt met ingesneden bladranken of schubben binnen door platte bandjes gescheiden vakken. Geelkoperen steelring, plat kegelvormig, geheel met ingesneden bladranken bedekt. Scheede van geelbruin hout met afzonderlijk, aan weerszijden uitstekend schoentje en mondstuk van bruin hout, als voren, met eene ondiepe gleuf aan weerskanten. Z.

L. lemmet 33,5, br. 7, 1. greep 5,5, dm. 2,7, 1. scheede 37,5, br. 4—13,5 cM.

202/10. Als voren, doch het lemmet met vijf flauwe bochten. Bovenaan een scherpe en eenige flauwe tanden, ook de gandja flauw getand. Greep van been, de vorm als voren. Geelkoperen, schotelvormige steelring met gedreven bladranken versierd en een ring daaronder. Scheede van klapperhout, zonder schoen, huis als voren. Makassar.

L. lemmet 32,2, br. 6,3, 1. greep 6,4, dm. 3,2, 1. scheede 34,4, br. 3,2—14,1 cM.

1249/4. Als voren, doch het lemmet met elf duidelijke bochten, de punt beschadigd. Bovenaan twee korte bloedgroeven, de tanden als voren, de gandja versleten. Greep van ivoor (?) in den vorm van een gestileerden Garoeda. Schotelvormige, zilveren steelring met een bloemornament. De scheede met zilver overtrokken, de eene zijde geheel, de andere alleen in de onderste helft met gedreven bladranken versierd. Huis van donkerbruin hout, smal, de vorm als voren. Z.

L. lemmet 31,5, br. 6,3, 1. greep 8, dm. 3, 1. scheede 34,5, br. 2,5—12 cM.

1499/10. Als voren, doch het lemmet met zeven flauwe bochten. Bovenaan aan de eene snede een krul en twee flauwe tanden, aan de andere tonden, evenals aan den gandja. Greep van hertshoorn, vorm als voren, doch meer gestileerd *). Kegelvormige, züveren steelring met paarlrand. Scheede van bruin hout met hoornen

1) Schmeltz, Ind. Prunkwaffen (/. A.f. E. III), 110, fig. 25 en 27*.

2) Vgl. Hein, Ind. Sekwertgriffe, fig. 92—94.

Sluiten