Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

s^ccue van geeiDruin, gepolijst bout, de eerste van onderen het breedst, met concave zijden en verdikt boveneinde, recht, de scheede naar onderen smaller wordend, zonder versiering. Z. ™

L. lemmet 28,5, br. 2—4,3, l greep n, dm. 3,5—5,5, L scheede 33,5, br. 5,5 cM, 1977/70. Dolkmes, het lemmet recht, met scherpe punt. Het ondereinde van den rug scherp geslepen, evenals de geheele snede. Rechte greep van hoorn plat en flauw achtkantig. Scheede van lichtbruin hout, naar onderen geleidelijk smaller wordend, het boveneinde met een rotanband omwonden. Makassar. L. lemmet 26,5, br. 2,3, L. greep 9, dm. 3,5, 1. scheede 28,3, dm. 4,1 cM. 1977/71. Mes, de snede van het lemmet convex en met een bocht naar de punt toeloopend, de rug recht; het boveneinde dik, smal en rechthoekig. Geelkoperen steelring. Platte greep van gestreept, bruin hout, in doorsnede ellipsvormig naar boven verbreed en naar de rugzijde gebogen. De scheede van lichtbruin hout, onder den mond zeer verbreed, van onderen van eene msnijding voorzien. Makassar. L. lemmet 9,5, br. 2, 1. greep 8,5, br. 3, 1. scheede 13, br. 4,1 cM. 1977/72. Als voren, het lemmet met scherpe punt, de rug flauw concaaf, de snede eerst dik en concaaf, daarna sterk convex en scherp. De greep van been, ovaal in doorsnede, het uiteinde naar de snedezijde gebogen. Scheede van lichtbruin hout, op twee plaatsen met fijn vezelkoord omwonden. Het uiteinde afgerond, verdikt en spiraalvormig uitgesneden. Ook boven de bovenste omwinding zijn cirkelbogen ingesneden. Makassar. L. lemmet 10,6, br. 2,5, 1. greep 7, dm. 2,3, 1. scheede 13,4, br. 3 cM. 1710/160I). Als voren, doch het lemmet flauw gebogen, tweesnijdend, eene zijde convex, de andere concaaf; het boveneinde dikker en in doorsnede plat rechthoekig. Greep van twee stukken paarlemoer, door omwoeling met rood garen bevestigd aan het verlengde lemmet en de overige ruimte met stukjes hout en hars aangevuld; plat, flauw gebogen, het boveneinde omgekruld. Scheede van twee stukken hoorn, door een vischgraatvormig gevlochten rotanbandje bijeengehouden; in doorsnede ellipsvormig, naar onderen dunner en afgerond. Bonerate nabij Saleier. L. lemmet 20, br. 1,6, L greep 10, dm. 3, d. 1,5, 1. scheede 31, dm. 2,8—4 cM. 706/5 »). Als voren (Mal. fisau), het lemmet krom, van boven het breedst, van daar geleidelijk naar de scherpe punt uitloopend; het bovenste derde gedeelte langs beide kanten dik, met mgegrifte, bladvormige ornamenten en een koeiika, bestaande uit een zesstralige ster, waarin eenige gestileerde, Arabische karakters, binnen een cirkel; langs het midden der beide zijden van het overige gedeelte een ingegrift, varenbladvormig ornament; greep van geel karbouwenhoorn, het boveneinde bloemknopvormig gefatsoeneerd en viermaal uitgeschulpt. De ruw bewerkte scheede uit twee planken bestaande, die boven het ondereinde door omwinding met rotanreepen worden bijeengehouden. — Antiek stuk, als stootwapen dienend. De Mandareezen staan in sommige punten van industrie hooger dan de hen omringende volken en de door hen vervaardigde wapens zijn wegens hun qualiteit zeer gewild. Mandar. L. lemmet 20,5, br. 2,5, 1. greep 9, 1. scheede 22,5, br. 3,5 cM.

l895/33- Dolk, lemmet recht, rug recht, snede beitelvormig, eerst concaaf, daarna convex en met convexen boog in de punt overgaande. Greep van palmhout, flauw gebogen, het boveneinde ingekeept Scheede van bruin hout, puntig ovaal, twee planken, boveneinde verbreed en met krul; op twee plaatsen omwinding van griis touw. Saleier. 6 '

L. lemmet 26, br. 1,5—2,5, 1. greep 10, br. 2,5—3,5, 1- scheede 28, br. 3—6 cM.

1895/37 Als voren, lemmet bijna recht, driehoekig, tweesnijdend. Greep van gevlamd palmhout, in doorsnede amandelvormig, knievormig gebogen, het bovenvlak

x) Serie 1710 don. dr. G. A. J. van der Sande, Juli 1909. 2) N. St. Crt. v. 26 Oct. 1889, n°. 253.

Cat. Rijks-Ethn. Museum, Dl. XVHI. 3

Sluiten