Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gelijke, afstanden door het schild geregen, door rietvezels bevestigde rotanreepen, die eveneens over de binnenzijde loopen. De binnenzijde in het midden met een overlangschen, dakvormigen rug, die in het midden der lengte het hoogst en van een vierkant gat, als greep, is voorzien. De binnenzijde geheel rood gekleurd, aan de buitenzijde de uiteinden zwart, terwijl de dwarse rotanreepen rood zijn gekleurd; het middengedeelte rood met zwarte dwarsbanden, die den knop begrenzen. Z. L. 140, br. 35 cM.

Hl. Krijgskleeding.

141:6/2* Mutsi), van kalebasschaal, onregelmatig afgeplat bolvormig, de onderrand van binnen en buiten met een randhoepel van gespleten rotan, die met dunne rotanreepen is vastgebonden. Berg-Boegineezen. Lappa bontorto, Botte.

H. 12, dm. 19,5 cM.

202/16 Stormhoed»), van rotanreepen volgens de eenvoudige omslingeringsmethode*over horizontale hoepels gevlochten, halfbolvormig, van buiten met rood, zwart en gebloemd katoen bekleed. Aan de voorzijde een halvemaan, uit twee gee koperen hoornvormige platen bestaande en daarop in het midden twee platte, geelkoperen horens, alles met rotanreepen bevestigd. In het midden van den hoed een houten pennetje, waaraan een vooruitstekend, gebogen latje draait. Alle uitstekende punten met vogelvederen versierd. Makassar.

Dm. 23, h. 14 cM. Zie pl. III, fig. 1.

202/17 en 454/88). Maliënkolders*), van in elkander vereenigde ijzeren ringetjes vervaardigd, met korte mouwen. Z. L. 78 en 56, br. 50 cM.

37/244 en 131/3. Als voren (badjoe rante*), van ijzeren ringen, met korte mouwen. 244: Z. 3: Makassar. L. 76 en 77, br. 42 en 49 cM.

*44/4 6) Als voren (badjoe rante), in den vorm van een hemd met mouwen; voor aan dén hals hangen ter versiering drie groote, aan een snoer geregen, zilveren kralen, die over de geheele oppervlakte met gedreven bloemfiguren versierd zijn. Z.

L. 82, br. 44 cM.

«2/17) Krijgsharnas (lamena*), van geelkoper, op borst en rug voorzien van verticaal loopende reeksen groote, rechthoekig gebogen platen; rondom de buikbedekking loopt eveneens een reeks van schubben van dezelfde soort, die evenwijdig van elkaar door maliën zijn gescheiden; tot sluiting dienen drie a jour bewerkte sluithaken, op ieder waarvan zich twee geelkoperen bloemen bevinden; om de eene van deze draait de haak; aan de binnen-rechterzijde der borstopening is een roodkoperen plaat bevestigd met drie oogen, die door correspondeerende gaten der linkerzijde vatten en waarin de punten der haken grijpen. Z.

L. 65, br, 45,5 cM.

1) Vgl. Meyer nnd Richter, Celebes, I, Pl. XIV, fig. 13. - Sarasin, Reisen in Celebes, II, 249.

2) Vgl. Meyer und Richter, o. c. pl. XIV, fig. 22. aa 0

3) Cat. Kol. Tent. Amst. 1883, 13' «. n». 92//. - N. St. Crt. van 1 Febr. i88S, n«. 27.

4) Niemann, Boegineezen en Makassaren, 1. c. 278.

5) Matthes, Mak. Wdb. 248, s. v. b&djoe met pl. VII, fig. 25.

6) N. St. Crt. van 3 April 1885, n°. 79.

7) Serie 522 don. dr. B. F. Matthes, Dec. 1885.

8) Matthes, Mak. Wdb. 659, s. v. laména met Atlas, pl. VII, fig. 23.

Sluiten