Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

boordzijde twee kleinere vaartuigen. De bovenhelft geel geverfd, met roode streep, met snijwerk versierd en een verguld Maleisch opschrift in Europeesche letters, waaruit blijkt, dat het schip biloe heet en uit Gowa komt. Op den achtersteven tusschen de roeren zit de vorst van Gowa. Voor hem zitten twee hofdames op bevelen te wachten. Nabij elk roer staat buitenscheeps een roerganger, omdat de vorst daar zit. In de kajuit, die aan weerszijden drie ramen heeft, zitten eenige hofdames met een prinsje. Zij dragen witte baadjes met korte mouwen. Op het bovendek staat de kapitein (poenggawa !) bevelen uit te deelen. Midscheeps zitten eenige vrouwelijke hofbedienden met mandjes en rantang's *). In de rantang's zijn boera's s), gogo's en keloepat (met rijst gevulde peperhuisjes) in de mandjes rijst. Verder zijn er overdekte schenkbladen, waarop verschillende potjes, o. a. porseleinen, eierleggende kippen, voor sambalan's. Op het voorschip een scheepskeuken, waarvoor eene vrouw op een komfoor zit te koken. Achter de keuken zit eene andere vrouw, die tegen de felle hitte het hoofd met een doek bedekt heeft. Nabij den boeg staat de uitkijk (djoeroe batoe *), belast met het open nederlaten van het anker. Bij den voormast staat de oadei-poenggawa mede uit te kijken. Tusschen de rechtstaande beeneh van den voormast hangt de gong (tawatawa 6), waarop bij aankomst, ontmoeting van een ander vaartuig en vertrek geslagen wordt. Aan den mast is het herkenningsteeken van den vorst van Gowa vastgemaakt: een van hout gesneden menschenhoofd, waaraan de wimpel hangt, eene voorstelling van het menschelijk lichaam. Aan het schuinstaande been van den voormast zijn vastgebonden een groote pajoeng en de vorstelijke lans (bast sanresang); ook hangt er eene scheepstrap aan. De vlag aan den achtersteven is de vorstelijke vlag. Op reis wordt het groote inlandsche zeil van karoro*) gevoerd zoowel aan voor- als achtermast. Aan het karoro-zeü is een roode wimpel verbonden, die te kennen geeft, dat Z. H. aan boord is. Stuurboord van de biloe ter hoogte van de kajuit vaart een schuitje met een uitlegger (lepa-lepa palewai sewali"1), waarop de draagstoel van den vorst geladen is. Stuurboord, ter hoogte van den boeg een praoe padjala6), geladen met rantang's, mandjes, pisang, enz. De vrouwen in de padjala zijn hofbedienden. Beide vaartuigen volgen 's vorsten biloe. Bakboord van de biloe het strand. Gowa. L. 128, br. 30, h. 95 cM.

1008/264')• Handels- en vorstelijk vaartuig (palari naga), model van Europeesch model, het achterdek met planken verhoogd, waardoor een overdekte kajuit wordt omsloten, wier dak door een hekwerk omringd wordt. De voorsteven in een nagakop en de achtersteven in een ineengekrulden «a^a-staart eindigend, beide evenals het vermelde hekwerk groen, terwijl het vaartuig overigens grijs is geverfd en de wanden der kajuit aan beide zijden met snijwerk zijn versierd. Voorzien van een driebeenigen mast met een groot zeil en van een groot stuurroer; met kanonnen bewapend. Saleier.

H. 15, 1. 152, br. 35 cM.

IV. Zegelstempels.

128/30—3210). Zegelstempels, afdrukken, wit op zwarten grond, van de zegels van:

3°: o**N jLèJ?- l5l_i^ tïr'r*^ *H' y' oLÜUJt Ü^ljil: Alwathik billah assoeltan Amaroellah al marhöim Mohammad Djamal addïn. Jaartal: tt"(r(1262) = 1846 A. D. Deze Amaroellah was sultan van Soembawa,

1) matthes, Mak. Wdb. 130, s. v. pocnggawa.

2) O. c. 590, s. v. rantang: „soort van mand om het eten in te doen." — Atlas, pl. XV, fig. 33. 3) O. c. 260, s. v. 2° boera: „pisang-bast."

4) O. c. 553, s. v. 1° djoeroe. 5) O. c. 459, s. v. 30 tdwd.

6) O. c. 65, s. v. karoro: „eene stof die vervaardigd wordt van de draden of vezels in het blad van de kocwald." 7) O. c. 636, s. v. 40 lêpa.

8) O. c. 554, s. v. 1° djala: „visschersprauw met één mast." — Atlas, pl. XVII, fig. 2.

9) Cat. Bat. Tent. p. 193, n°. 2076.

10) Serie 128 don. J. Semmelinck, Mei 1871.

Sluiten