Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

b. Blaasinstrumenten.

37/254 en 697/391). Fluiten (soeling*), .van bamboe, aan het eene einde ringvormig afgeschild voor een (ontbrekenden) ring van lontarblad; daarnaast een vierkant blaasgat. Op den overliggenden wand twee groepen van drie ingebrande gaten. — Bij het blazen houdt men de fluit verticaal en blaast tusschen den ring en het dikke uiteinde door. 254: Z., 39: Makassar.

L. 53 en 60, dm. 1,5 en 2,1 cM.

697/40 8). Als voren, doch korter, de mond min of meer trechtervormig; zes galmgaten aan de eene en een aan de tegenoverliggende zijde; het mondstuk schuin en eenigszins hol afgesneden, met daarin bevestigd staafje en eene vierkante opening voor het blazen. Makassar.

L. 19, dm. 2,4 cM.

1009/83 *). Als voren (soeling), doch veel grooter; het blaasgat onder het, met een ring omwoelde, gesloten boveneinde; twee groepen, ieder van drie galmgaten aan de tegenovergestelde zijde, op eenigen afstand van het ondereinde, waarop een, eenigszins knotsvormige klanktrechter van palmhout is gestoken. Gowa.

L. 74, dm. 2,2 cM.

1009/86 6). Fluitje (basing-basing*), het boveneinde verdund en met een zijdelingsch, door een uit hetzelfde stuk bamboe gesneden tong bedekt blaasgaatje; langs de eene zijde over de helft der lengte afgeplat en van vier galmgaten voorzien. Gowa.

L. 17, dm. 1 cM.

697/42 7) en 1551/18). Dubbele fluiten, bestaande uit een paar, naast elkander bevestigde bamboes. De opperhuid is een eindweegs glad afgesneden en daar zijn in iedere bamboe vier galmgaten aangebracht Van onderen zijn de bamboes in een loodrecht daarop staanden, dikkeren bamboekoker (42) of in een wijd uitloopenden, pyramidevormigen, houten klanktrechter (1) bevestigd. De blaasopening voorzien van een, daarin gestoken staafje met tongvormige insnijding. 42: Makassar, 1: Z.

L. 20,5 en 17,5, dm. 1,9 en 1,5 cM.

1895/43. Fluit, twee doorboorde rechthoekige staafjes, met zes gaten op eene zijde. De einden gestoken in kegelvormige stukken hout, het eene massief, het andere hol, ieder met twee gaten. Saleier.

L. 17,5, dm. 1,2—3,5 cM.

1895/86. Als voren, kegelvormig, van een spiraalvormig gewonden reep blad, de voorzijde doorgestoken. Mondstuk gevormd door een stukje hout met aangesneden tong. Saleier.

L. 16, dm. 5,5 cM.

37/252. Klarinet (poewi-poewi*), van bamboe, met aan eene zijde één, aan de andere zes gaten; hierop aan het ondereinde een wijder buisje geschoven; aan het boveneinde is een dunner buisje ingeschoven, waarop een schijfje klapperdop. Z.

L. 28, dm. 1,5—2 cM.

1009/8510). Als voren (poewi-poewi), uit drie in elkaar gestoken, trapsgewijs grooter wordende bamboekokers bestaande, de beide bovenste met een geelkoperen ring om

1) N. St. Crt. Van ii Juli 1889, n°. 161. — Serie 697 don. Dr. B. F. matthes, Febr. 1889.

2) Matthes, Mak. Wdb. 785, s. v. soeling- met Atlas, pl. VIII, fig. 22. — Engelhard, 1. c. 309—310. 3) N. St. Crt. van ii Juli 1889, n°. 161.

4) Cat. Bat. Tent. n". 2039.

5) Cat. Bat. Tent. n°. 2043.

6) Matthes, Mak. Wdb. 305, s. v. basing. — Engelhard, 1. c. 310.

7) N. St. Crt. van 11 Juli 1889, n». 161.

8) Serie 1551 don. E. L. Rouveroy van Niewaal, 1906.

9) Matthes, 185, s. v. poewi met Atlas, pl. VIII, fig. 20. 10) Cat. Bat. Tent. n°. 2042.

Sluiten