Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1450/100. vingerring, als voren1;, doen met twee dunnere randjes, waarvan het eene slechts half gegoten is; op de afscheiding rondgaande groeven. Matanameer. Z. O.

Dm. 2, br. 1,1 cM.

1456/111. Als voren1), doch de binnenzijde effen, de buitenzijde met zeer afgesleten versiering: halve bollen tusschen dwarsstreepjes. Matana-xattt. Z. O. Dm. 1,6, br. 0,4, dik 0,3 cM.

1456/110. Als voren»), doch in doorsnede rechthoekig. Op de buitenzijde eene ovale verhooging, die een steen voorstelt; hieromheen snoerornament, aan weerszijden aansluitend aan driehoeken met een rij puntjes aan de basis. Tobela's, Matanameer. Z. O.

Dm. 1,8, dik 0,3—I cM.

1456/109. Als voren4), doch spiraalvormig, met iets meer dan twee windingen, in het midden het dikst, naar beide einden dunner. De buitenzijde bedekt met ingesneden ornament: # figuren, door groepen van drie dwarsstrepen gescheiden. Op een plaats een verhoogd ruitje, de gietplaats aanduidend. Matana-meet. Z. O.

Dm. 1,8, br. 1,2, dik 0,4 cM.

1904/313 »). Als voren, acht exemplaren, waarvan een van geslepen been, drie van schelp en vier van gegoten geelkoper, de laatste met groeven en strepen aan de buitenzijde. Mengkoka. Z. O.

Dm. 2—3,5 cM.

n. Kleeding. a. Hoofdbedekking.

1456/91. Muts, van gevlochten rotan, stijf over hoepels gevlochten met schuin omslingerde reepen. Kegelvormig met opstaanden, eenigszins naar binnen gekeerden rand en een rond gaatje in den top. De onderrandhoepel spiraalvormig omwikkeld. Lamboega. Z. O.

H. 7, dm. 17 cM.

1456/92. Als voren, doch cylindervormig met kegelvormig oploopenden bol, in het midden waarvan een gaatje. De onderrand eenigszins naar buiten gebogen. Aan den onderrand twee met rotan omwoelde oogjes, waaraan een kinband van in elkaar gedraaide boomschors. Lamboega. 2,. O.

H. 12, dm. 19 cM.

1904/287»). Hoofddeksels, vier exemplaren, van gevlochten varen(?)-vezels. Kegelvormige bol met recht afloopenden rand, een exemplaar geel met paarsen onderrand, het tweede zwart en op bijzondere wijze gevlochten, het derde zwart met gele randen en top en met een ruitpatroon op den staanden rand. Het vierde half bolvormig, met gele randen en top. Mengkoka. Z. O.

Dm. 16, h. 7—10 cM.

61/32. Muts, komvormig, van aaneengenaaide palmbladreepen. De platte bol door een schijf bladscheede gevormd. Langs den rand twee zwart gekleurde bladreepen, waarin op vier plaatsen een ongekleurde rechthoek met vijf uitgesneden, zwarte ruiten gespaard is. De onderrand van rotan. Met kinband van vezeltouw. Boeton.

H. 12,5, dm. 22,5 cM.

x) Meyer und Richter, Celehes, I, p. 94, n°. 615.

2) Meyer und Richter, Celebes, I, p. 94, n°. 612.

3) Meyer und Richter, Celebes, I, p. 94, n°. 608 met pl. XXI, fig. 24.

4) Meyer und Richter, Celebes, I, p. 94, n°. 621 met pl. XXI, fig. 17.

5) Not. Bat. Gen. LI (1913), p. LXXVIL, n°. 16544.

6) Not. Bat. Gen. LI (1913), p. LXXVIII, n». 16559.

Sluiten