Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hout, onderaan met rondgaande groeven. Bovenaan met zilveren beslag; drie banden, waarvan de beide buitenste met gedreven bloemornament, de middelste, breedste effen; daarboven een meloenvormig deel en een dikke plaat met kruisgroeven op de randen. Scheede van hout, vaasvormig, ondereinde met zilver bekleed, middenstuk met zeer fijn touw omwonden. Tomboekoe. O. L. punt 29,5, br. 3,5, 1. schacht 176, dm. 2 cM.

1106/41. Lans, als voren1), doch de punt ovaal bladvormig met achtkantigen steel; schacht van bruin hout, onderaan aangepunt. Boveneinde met zilver bekleed: twee rondgaande banden met bladornament en daartusschen een deel met afwisselend effen en geschubde, schuine banden. Bovenaan een meloenvormig deel en een effen plaat. Scheede van hout, vaasvormig, onder- en boveneinde met zilver bekleed. Tomboekoe. O.

L. punt 28, br. 3, L schacht 177, dm. 2 cM.

1971/4182). Als voren, de punt lancetvormig, met twee opengewerkte cirkels aan het boveneinde. De steel met middenrug. De bus van geelkoper, kraagvormig uitloopend, met drie rondgaande ruggen. Schacht van palmhout, dicht bij de bus met rotanbanden spiraalvormig omwonden. Boeton.

L. punt 27, br. 3,5, 1. schacht 158,5, dm. 2,1 cM.

2. Bogen en pijlen3).

150/2—3 4). Bogen, van rood (2)- of geelbruin hout (3), de uiteinden versmald voor de bevestiging van de pees, die bij n°. 3 ontbreekt. Tomboekoe. O. L. 194 en 182,5, br. 3,3 en 3 cM.

150/5—6. Pijlen, de schacht van bamboe, van boven met vogelvederen versierd, de punt van hout met unilaterale (5) of bilaterale (6) weerhaken. Beide uit vijf stuks bestaande. Tomboekoe. O.

L. 125,5—143, dm. 1,1 cM.

150/7—9. Als voren, de schacht van bamboe, de punt van hout met vier (7) of vijf (8 en 9) bilaterale weerhaken. Kaap Nederburgh. Z. O. L. 143, 143 en 125,5, dm. 1,1, 1,1 en 1 cM.

150/10. Pijl, de schacht en de punt van bamboe, de laatste puntig bijgesneden. De onderzijde van de schacht aan het boveneinde met zwarte zigzaglijnen en vogelvederen. Kaap Nederburgh. Z. O.

L. 122, dm. 1 cM.

3. Krissen.

300/435 s). Kris, het lemmet recht, zonder krullen of tanden, gedamasceerd. Greep van donkerbruin hout, recht op het lemmet staande, in den vorm van een zeer gestileerden Garoeda. Scheede van geelbruin hout, het huis gevlamd, bootvormig, de eene benedenhoek recht, de andere afgerond. Boeton.

L. lemmet 29,5, br. 6,5, 1. greep 7, br. 2,8, 1. scheede 33,5, br. 3—4 cM.

4. Zwaarden*).

38/2 7). Zwaard, het lemmet recht, naar onderen breeder wordend, de rug van onderen schuin afgesneden, de snede recht. Greep van hoorn, naar de snedezijde gebogen, het ondereinde ovaal, het boveneinde dakvormig in doorsnede en in het midden diep ingekeept. Zonder scheede. Tomboekoe. O.

L. 59, 1. lemmet 44, br. 2,2—3, dm. greep 3—4 cM.

1) Vgl. Meyer und Richter, Celebes, I, pl. XXVII, fig. 3.

2) Serie 1971 don. A. J. Gooszen, 1919.

3) Kruyt, T. I. T. L. Vk. LXI, 458—459. — Sarasin, o. c. I, 343. — Treffers, 224.

4) Serie 150 don. L. 't Hoen, 1875. 5) Cat. Tent. Par. n°. 434.

6) Grubauer, p. 143, fig. 96. — Vosmaer, 1. c. 67. — Beccari, o. c 289.

7) Serie 38 don. H. F. J. Huysers, Sept. 1864.

Sluiten