Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1926/36. Sirih mand, als voren, de tasch van ongekleurde en roode, het deksel van groene, paarse, ongekleurde en roode reepen gevlochten. Patroon van de tasch: schuine rijen ongekleurde reepen op rooden grond, gekruist door een roode dwarsstreep. Patroon van het deksel: in het midden der langszijden en van het bovenvlak groene of paarse ruiten met roode en ongekleurde omtrekken, begrensd door groen en paars geblokte en met rijen Andreaskruisen gevulde figuren. De smalle zijkanten groen zonder ornament. Koelawi. H. 7, L 10,5, br. 4 cM.

1926/37. Als voren, doch het deksel uit een dubbele laag vlechtwerk bestaande, de binnenste van ongekleurde en breede, de buitenste van smallere, bruine, gele en roode «/ar-bladreepen en zilverdraad in een ruitpatroon gevlochten. De tasch van ongekleurde en roode reepen diagonaal gevlochten. Koelawi.

H. 8, 1. 8,5, br. 2,5 cM.

1926/29. Sirihtasch, met rechthoekigen bodem, van boven ovaal, zonder deksel, met hengsel. Van een dubbele laag vlechtwerk, van binnen ongekleurd, van buiten ongekleurd, rood, groen en paars. Patroon: geblokte rechthoeken, gevuld met een ongekleurd Andreaskruis en van elkaar gescheiden door verticale rijen ongekleurde ruiten en kruisen op rooden grond. Het hengsel van ongekleurde, groene en bruine reepen in een ruitpatroon gevlochten. Koelawi.

H. 14,4, 1. 19, br. 6 cM.

1926/30. Als voren, doch uit slechts een enkele laag vlechtwerk bestaande. Van binnen een tweede tasch, van ongekleurde «&r-bladreepen diagonaal gevlochten. De buitenste tasch van ongekleurde, roode, zwarte en bruine reepen gevlochten in een patroon van met ongekleurde Andreaskruisen gevulde, rood, zwart en bruin geblokte vierkanten, door ongekleurde ruitjes omgeven. Het hengsel van binnen rood, van buiten ongekleurd en rood geblokt. De bodem rood, bruin en zwart geblokt. Koelawi.

H. 15, 1. 19,5, br. 6 cM.

■ 1926/31. Als voren, diagonaal gevlochten van ongekleurde, roode en zwarte reepen in een patroon van met ongekleurde Andreaskruisen gevulde, rood en zwart geblokte vierkanten, door ongekleurde ruiten omgeven. Het hengsel van groene en paarse reepen in een onregelmatig geblokt patroon gevlochten. Koelawi. H. 9, L 12,5, br. 4,5 cM.

1008/32—341). Sirihtasschen, twee in elkaar schuivende, diagonaal gevlochten van roode en ongekleurde lontarbladreepen in een patroon van, met Andreaskruisen gevulde, roode of ongekleurde ruiten; de reepen der binnenste tasch breeder dan die der buitenste; bovendien zit in de laatste als voering een tweede tasch, van breede, ongekleurde reepen diagonaal gevlochten; bij n°. 33 bevatten zoowel de binnenste als de buitenste tasch een taschje van ongekleurde reepen; n°. 34 en n°. 33 hebben eenige groene reepen en het aantal roode reepen is grooter dan dat der ongekleurde. Kaili.

L. 16,5, 13 en 11, br. 20, 16 en 13 cM.

1926/25. Als voren, doch plat, met convexen bodem, zonder tweede tasch van binnen. Van paarse «'/«r-bladreepen gevlochten, waarin door ongekleurde reepen een patroon van twee enkele en een dubbele horizontale rij ruiten gevormd is. Het hengsel als voren. Koelawi.

H. 19, br. 26,5 cM.

1926/26. Als voren, doch van ongekleurde, bruine en paarse riVar-bladreepen diagonaal gevlochten in een patroon van rechthoeken, gevuld met Andreaskruisen en driehoeken en begrensd door ruiten. Het hengsel van bruine en paarse reepen in een onregelmatig patroon diagonaal gevlochten, bevestigd aan het midden van den bovenrand. Koelawi.

H. 18, br. 27 cM.

1) Cat. Bat. Tent. n°. 1983.

Sluiten