Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1926/27. Sirihtasch, als voren, doch van ongekleurde, groene en paarse silarbladreepen diagonaal gevlochten. Patroon: drie horizontale en een verticale band welke laatste zich op het hengsel voortzet, alle gevuld met enkele of dubbele rijen ongekleurde ruiten op paarsen grond, overigens groen en paars geblokt met een paarse dwarsstreep. Aan het boveneinde van het hengsel is door ongekleurde reepen op paarsen grond het patroon pemafa ntjaogoe1) gevormd. In de tasch een tweede, van ongekleurde reepen diagonaal gevlochten. Koelawi. H. 14,5, br. 20 cM.

1926/28. Als voren, doch van paarse, groene, roode en ongekleurde silar-bladreepen diagonaal gevlochten in een patroon van bont geblokte dwarsbanden, door een paarse dwarsstreep gekruist De bovenrand en het hengsel effen paars. Zonder tweede tasch van binnen. Koelawi.

H. 15,5, br. 20 cM.

1926/24. Als voren, doch veel grooter en met twee draaglussen van rood gekleurde rC^fj vlechtwerk der ^h van boven en van onderen diagonaal, doch in het middengedeelte, waann vier horizontale rijen verticale insnijdingen zijn aangebracht zigzagvormig. De kleuren als voren. Koelawi.

H. 26,3, br. 39 cM.

1647/746. Als voren (Aapipi»), doch zonder hengsel. Diagonaal vlechtwerk van ongekleurde en roode /a*?8)-biezen; rechthoekig. Patroon: groote, geblokte ruiten 00 rooden grond. Posso. v

H. 13, br. 18 cM.

1926/32. Als voren, doch met overschuivend deksel. Van ongekleurde en roodbruine «/«r-bladreepen diagonaal gevlochten. Patroon: in het midden een roode ruit en verder twee breede, geblokte banden, die van de hoeken uitgaan en elkaar in het midden kruisen. Binnenin een tweede tasch van ongekleurde reepen. Op het deksel vijf horizontale rijen roode ruiten op ongekleurden grond, van onderen en boven begrensd door njen kleine, ongekleurde en roode ruitjes. Koelawi.

H. 11,8, br. 12 cM.

1926/801*). Pinang-of tabakskoker (dompipi% als voren, van gUang Uelangi«)reepen diagonaal gevlochten, zoowel de koker als het deksel met een tweede taschje van ongekleurde reepen. De buitenzijde van ongekleurde en roode reepen in het patroon pemata moroka *) gevlochten. Het deksel van ongekleurde, roode en zwarte reepen, die concentrische ruiten vormen. Posso.

H. 11,5, br. 13 cM.

1456/27. Sirihtaschje(P), als voren, van diagonaal gevlochten lontar(?)-bladreepen. In het inwendige een gelijkvormig, kleiner taschje. De buitenzijde bekleed met zwart katoen en roode randen en verder met rood en groen garen bestikt in zigzaglijnen en haakvormige figuren. — Misschien voor tabak (?). Bada.

H. 7,5, br. 10, dik 3 cM.

1818/4. Sirihzak8), van geweven, grijs katoen, rechthoekig. Over een groot deel zijn met rood, geel en zwart garen dwarse versieringen opgeborduurd: rijen kruisen dnehoeken en zigzaglijnen. Loewoe. '

H. 13,5, br. 24 cM.

1) Adriani en Krüyt, De Bare'e-sprckende Toradja's, Atlas, plaat: „eenige vlechtfiguren in mandjes", fig. onderaan links. -

2) Jasper, Vlechtwerk, 190. — Adriani en Kruyt, II, 214, 329.

3) Jasper, o. c. 36: Cyperus Malaccensis Lam.

4) Cat, Bat. Gen. p. 169, n°. 2788.

5) Adriani en Kruyt, De Barc'e-sfrekcndc Toradja's, II, 328. — Jasper, Vlechtwerk. 150.

6) Jasper, 1. c. — Adriani en Kruyt, L c. 152, 328: Corypha gebanga L.

li ^T,RI^NI 611 Kruyt> Atlas-> Pl- «eenige vlechtfiguren in mandies", fig. boven rechts. 8) Vgl. Grubauer, p. 482, fig. 25a

Sluiten