Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1456/31 en 1926/43-44- Tabaksdoosjes^), enkel (31 en 44).of dubbel (43), van diagonaal gevlochten lontarbladreepen, cylindervormig, eenigszins nauwer ophopend en met gedeeltelijk overschuivend deksel. De bodem en de bovenkant van het deksel aan den rand met zes uitstekende punten. Bij n«. 43 zijn aan het^touwtje, dat de beide doosjes verbindt, twee lichtblauwe kralen geregen. 31: To Bada, 43

en 44: M.

H. 4,5, 4 en 8,3, dm. 4,5 cM.

1456/72 en i647/i347- Tabakstaschjes»), van diagonaal gevlochten, ongekleurde en roode silar (PVbladreepen, plat rechthoekig met bijna geheel overschuivend deksel. Patroon: geblokte banen, die groote, ongekleurde of roode ruiten omsluiten. Bij n». 72 het deksel rood met over elkaar liggende groote, zwarte en gele ruiten. In het taschie van n». 72 een kleiner, gelijkvormig van ongekleurde reepen, waarvan de rand naar buiten is omgeslagen. 72: Topebato, Mapane, 1347: Toradja s.

H. 13 en 13,5, br. 13 en 15,5 cM.

GROEP II.

Kleeding en sieraden3). I. Sieraden.

a. Hoofdsieraden.

ia*6/7 Hoofsieraad*), pluim van hanevederen, waaraan met behulp van hars borstvederen van een lijstersoort (Pitta celebensis) en andere, bruin en wit gevlekte veertjes zijn geplakt. Het ondereinde omwikkeld met boomschors en hieraan een touwtje vastgemaakt. — Wordt door vrouwen in het haar gedragen. To Bada.

L. 38 cM.

I4S6/8. Als voren»), pluim van witte en groenzwarte hanevederen, waaraan met hars roode en gele borstvederen eener lijstersoort (Pitta celebensis) zijn vastgeplakt. Onderaan een lapje wit katoen, met rood garen vastgenaaid. — Wordt door vrouwen in het haar gedragen. To Bada.

L. 39 cM.

i<«6hq. Haarband»), van witten, geklopten boombast, in het midden plat rechthoekig/naar de einden in elkaar gedraaid en vervolgens breed uitloopend; het middelste deel benaaid met wit en daarop een lap rood katoen; de opgeroWe einden omwonden met rood garen; de breede driehoekige uiteinden met rood katoen belegd, — Voor vrouwen. Koelawi.

L. 75, br. 2,2—10 cM.

b. Oorsieraden.

lAKÓln''). Oorschijven, een paar, van bruin hout, cylindervormig, ongelijk dik, de dikste met flauw concaven rand. Aan de achterzijde een, uit hetzelfde stuk gesneden, doorboord uitsteeksel, bij een exemplaar met gekartelde randen. De voorzijde en een deel van den rand met bladtin belegd. — Voor vrouwen. T0 Bada.

Dm. 2,8 en 3, d. 1,2 en 0,8 cM.

1) Meyer und Richter, Celebes, I, pl. XVII, fig. 6. 21 Meyer und Richter, Celebes, I, p. 56, n». 389. > ".. . . ' v».t.,~ tt oi. ir>X — Sarasin. I. 2<Q. 261. 264, 266, II, 99,

i4 - Meyer und Richter, 57-64 me't pL XIV-XVIH. _ M. N. Z £ XLn 4,6-497. Med. Encycl. Bureau, afl. II, p. 118-120. - Kruyt, T N A G z* Serie XXVI (1909), p. ,7I_,72. 4) Sarasin, Reisen in Celebes, II, 106, pL III.

5) Sarasin, Reuen tn Celeóes, 11, 105, pi. i".

6) Sarasin, Reisen in Celebes, II, 36.

7) Sarasin, Reisen in Celebes, II, 103, fig. 39

Sluiten