Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

h. Varia.

1926/339. Doekje, van wit katoen, vierkant. De randen versierd met waaiervormig, opengewerkt gouddraad, waaraan bladvormige stukjes blik of groen of geel mica door zwarte kralensnoertjes bevestigd zijn. M.

L. 26, br. 25 cM.

804/278. Reukwerk (muskus), een rechthoekig pakje in pandanAAa.ó\ gehuld, benevens twee kleine, zakvormig gefatsoeneerde pakjes. L. rechthoekig pakje 7,5, br. 4 cM.

II. Kleeding.

a. Hoofdbedekking. i. Hoeden en mutsen.

1232/61 en 1926/367—368 & 393. Hoeden (toroe1), kegelvormig, van een dubbele laag palmbladreepen, met rotanvezels (61, 368 en 393) of blauw garen (367) dwars doornaaid; 61 van binnen diagonaal gevlochten. Dubbele randhoepel van bamboe, door paren rotanreepen bevestigd, bij 61 met rotanreepen omboord. De buitenste hoepel bij 61 zwart gekleurd. Bij 367 op eenigen afstand boven den randhoepel een bamboereep ter versterking; 367 met een rotanreep als kinband, 368 met een rotanlus, om den hoed op te hangen; 393 kinderhoed of model. — Wordt bij het oogsten gebruikt. Toradja's.

Dm. 37, 42, 44 en 22,5, h. 15, 21, 12 en 5 cM.

1926/391. Als voren, van met rotanvezels aaneengenaaide palmbladreepen, doch minder puntig oploopend en breeder. Dubbele, met paren rotanreepen bevestigde randhoepel van bamboe. Van binnen in het midden een hoofdring van palmblad. M.

Dm. 65, h. 14,5 cM.

43/101. Hoed (toroe*), kegelvormig, van aaneengenaaide »y»a«-bladreepen, de rand met rotanreepen bevestigd. Ook om den bol, evenwijdig met den rand, twee rijen rotanreepen. Op den bol een kwast roode draden. Van binnen een hoofdring van bladreepen. Posso.

Dm. 54, h. 19 cM.

1926/366. Als voren, doch met puntig oploopenden bol, die op twee plaatsen met een band van witte, blauwe en roode draden omwonden is. Aan den top is een bundel lapjes van rood katoen bevestigd. Op eenigen afstand van den randhoepel een bamboelat ter versterking. Zonder hoofdring. Toradja's.

Dm. 52, h. 19 cM.

1008/36 8). Als voren (ondoeo, locaal Mal. toloe*), rond, puntig oploopend, van aaneengenaaide, breede «7<rr-bladreepen vervaardigd, met een dubbelen randhoepel van bamboe, van binnen en buiten met rotanreepen bevestigd en met breeden hoofdring van palmblad in het midden der binnenzijde. — Op het veld bij regen gedragen. Kaili.

Dm. 38, h. 20 cM.

1008/35 6). Als voren, doch de bol kegelvormig, overigens plat. De randhoepel uit vele dunne, dicht aaneenliggende reepen bestaande. Kaili. Dm. 56, h. 19 cM.

1926/392. Als voren (toroe *), doch de bol beschadigd, met geel gekleurde reepen, waardoor een achthoek wordt gevormd, overtrokken. De buitenzijde overigens met

1) Adriani en Kruyt, II, 224. — Kruyt, Woordenlijst, 76, s. v. torn. — Meyer und Richter, pl. IX, fig. 4.

2) Adriani en Kruyt, o. c. II, 224. 3) Cat. Bat. Tent. n°. 2000. 4) Graafland, o. c. I, 168, 345. 5) Cat. Bat. Tent. n°. 2000. 6) Adriani en Kruyt, De Bare''e-sfreiende Toradja's, H, 224.

Sluiten