Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1926/19—20. Boegineesche mutsen {song/co1), halt bolvormig, van njne rotanreepen (Boeg. raoekêng*) gevlochten en daarna zwart gemaakt met dara kadaro*). Langs den rand, om den bol en op eenigen afstand daarvan een cirkel van ongekleurde reepen. M. (?).

Dm. 13,5 X 19 en 13 X lS, h. 9,5 cM.

1232/64 en 1456/60. Mutsen (songko4), van rotanvlechtwerk, rond, diagonaal (64) of over hoepels gevlochten, waaromheen schuine reepen zijn geslagen (60); de rand bij 60 spiraalvormig omwikkeld; in het midden van den bol een groot (64) of klein (60), rond gat. Overtrokken met het vel van een jong hert (Cervus moluccensis). Bij 60 aan den rand een kinband van gedraaid touw. 64: Toradja's, 60: Topebato, Mapane.

Dm. 19 en 20,5, h. 7,5 en 9 cM.

1232/62—63. Als voren (songko bolt1), diagonaal van rotanreepen gevlochten, n°. 62 met een rond gat in het midden van den bol. Overtrokken met apenvel, dat aan de achterzijde tot een vierkante klep is uitgesneden. Met stormband van vezelkoord (62) of van bruin katoen (63) gedraaid. Toradja's.

Dm. 19,5 en 22, h. 9 en 8 cM.

776/486). Muts, als voren, van rotanreepen rondgaand gevlochten, met een rond gat in het midden van den bol. Bekleed met de huid van een visch, genaamd ikan bibi (Balistes) met afstaande rug-, zij- en staartvinnen. Met kinband van touw. — Zeer zeldzaam. Tomini-bocht.

Dm. 19X20,5, h. 11,5 cM. Zie pl. III, fig. 2.

1456/2 & 61. Als voren7), doch uit een stuk koeskoes-huid (Phalanger ursinus Temm.) bestaande, plat halfbolvormig, zonder naad. Tegen de buitenzijde van n°. 2 zijn met hars bosjes witte veeren vastgekleefd. Kinband van in elkaar gedraaid, bruin touw, in gaten van den rand bevestigd. 2: Landje ka, Tobada, 61: Mapane.

Dm. 18,5 en 19, h. 10 en 9,5 cM.

1456/1 & 62 en 1710/104. Als voren8), doch van kalebas, plat halfbolvormig; de rand van n°. 1 aan de buitenzijde met een diagonaal gevlochten ring van ongekleurde rotanreepen. De bovenzijde geheel bedekt met apenvel, van Cynopithecus hecki Matschic of Magus tonkeanus Meyer9) (i en 62) of met geitenhuid (104), waaraan met behulp van hars bosjes rood of geel gekleurde en enkele gevlekte (1) of fijne, witte (104) veertjes zijn gekleefd. De binnenzijde geheel (1) of gedeeltelijk (104) zwart gemaakt; n°. 1 en 62 met kinband van touw. 1: Tobada, 62: Topebato, Mapane, 104: Toradja's.

Dm. 21, 19,5 en 20, h. 12, 11,2, en 8,5 cM.

2. Hoofdringen en hoofdbanden.

804/24710) en 1456/550!. Hoofdringen11), spiralen van rotan, in acht (247) of 81/» (SSa) bindingen, met fijne rotanreepjes omwikkeld (55a) en door drie (247) of

1) Matthes, Boeg. Wdb. 676, s. v. sotigkó.

2) O. c. 525, s. v. 2° raoe. 3) O. c. 21, s. v. kada.ro: „soort van teer of verf".

4) Meyer und Richter, Celebes, I, p. 60, n°. 463 met pl. XIV, fig. 13. — Adriani en Kruyt, H, 331. — Kruyt, Woordenlijst, 65, s. v.

5) Meyer und Richter, Celebes, I, pl. XIV, fig. 15—17. — van Hoëvell, in T. I. T. L. Vk. XXXV, 24. — Kruyt in Af. N. Z. G. XL, 147. — Adriani en Kruyt, II, 224. — Kruyt, Woordenlijst, 65, s. v. songko.

6) Serie 776 don. G. W. W. C. baron van HoSvell, April 1890.

7) Meyer und Richter, Celebes, I, p. 61, n°. 472 met' pL XIV, fig. 16.

8) Meyer und Richter, Celebes, I, p. 60, n°. 473 met pl. XIV, fig. 17 en 19.

9) Sec. Dr. J. Büttikofer.

10) Weber in I, A. f. E. Hl, Suppl. p. 37 met pl. I, fig. 4.

11) Meyer und Richter, Celebes, I, p. 109, n°. 332 met pl. XXVI, fig. 7. — Grubauer, 368.

Sluiten