Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1300/42. Hoofdring (tali bonto1), als voren, doch tegen de buitenzijde zijn op vier plaatsen drie groepen van rood-oranje-roode lapjes katoen dwars opgenaaid en daartusschen beschilderingen in zwarte verf: schaakborden en rijen groote en kleine zeshoeken met een ruit als kern. Nabij de aanhechtingsplaats twee kruisen met ruit als kern, haken aan de uiteinden en omgeven door paren verticale strepen. — Bij de To Napoe-nouwsn in gebruik, om het ingestoken hoofdhaar bij elkaar te houden. To Napoe.

Dm. 17, h. 4,8 cM.

1759/18. Als voren (tali bonto*), de buitenzijde met foeja bekleed en daarover dwarse groepen van oranje-rood-oranje katoenen reepen, de roode met plaatjes mica. De aldus gevormde vakken beschilderd in zwart, groen en rood: ruitenpatroon van verschillende soort en krullen als uitsteeksels aan de hoeken van ruiten. — Door vrouwen gedragen. To Napoe.

Dm. ± 16, h. 7 cM.

1926/655—656. Als voren, doch de boomschors aan de buitenzijde versierd met groen en roode, vierpuntige sterren in zwarte, door witte lijnen begrensde ruiten (655) of met zwarte zandloopers op witten grond (656). De vakken gescheiden door verticale, groen en roode (655) of roode en gele (656) strepen. Een vak met roode haakof ankerfiguren (gestileerde buffelkop) op witten grond. 655: Koelawi, 656: M.

Dm. 14,5 X ,8i5 en J3 X 2°> 7 cM'

1300/23(1. Als voren (tali bonto«), doch aan de buitenzijde op twaalf plaatsen bedekt met groepen van oranje-rood-oranje katoenen lapjes en daartusschen met zwarte verf beschilderd: concentrische rijen van rechthoeken en ruiten; op eene plaats een vierarmig kruis, in haken eindigend en daartusschen oogen. — Bij de To Napoevrouwen in gebruik, om het ingestoken hoofdhaar bij elkaar te houden. To Napoe.

Dm. 15,5, br. 4,6 cM.

1926/657. Als voren, doch het patroon aan de buitenzijde bestaat uit groepen van vier gele cirkels met zwarte kern op witten grond, groepen van vijf zwarte ruiten met witte omtrekken op gelen grond, verticale rijen witte, zwart gestreepte ruiten op gelen grond en een groot, geel vak, gevuld met twee paren witte krullen of horens met zwarte omtrekken. M.

Dm. 15 X »», br. 6 cM. Zie pl. IV, fig. 4.

1456/32. Als voren4), doch bijna geheel benaaid met reepen katoen, van binnen voornamelijk oranje, van buiten roode, zwarte en witte, verticale banden en kruisen, waartusschen driehoeken en ruiten; enkele gebloemde reepen; benaaisels in V-vorm van zwart, wit, rood en oranje garen en opgeplakte stukjes mica. — Voor vrouwen. Koelawi.

Dm. 17,5, br. 7 cM.

1926/653. Als voren6), doch de buitenzijde door verticale reepen oranje en rood katoen in acht vakken verdeeld. Ornament: groepen witte, vierpuntige sterren in zwarte ruiten, ruiten, bestaande uit roode en paarse driehoeken en een wit vak, gevuld met roode ruiten, wier hoeken uitloopen in zigzagstrepen en daartusschen roode cirkels (gestileerde buffelkoppen). M.

Dm. 15,5 X l&> br- 7 cMZie pl. IV, fig. 3.

1) Vgl. Sarasin, Reisen in Celebes, II, pL III. — Adriani en Kruyt, Atlas, pl. hoofdstuk .kleeding en versierselen", onderaan.

2) Sarasin, Reisen in Celebes, II, fig. 38, 41 en pl. III.

3) Vgl Sarasin, Reisen in Celebes, II, pl. III. — Meyer und Richter, Celebes, I, pl. XIV, ng. i.

4) Vgl. Sarasin, Reisen in Celebes, II, 36. — Meyer und Richter, Celebes, I, p. 54, n». 333 met pl. XIV, fig. 1. ..

5) Vgl. Adriani en Kruyt, Atlas, pl. hoofdstuk „kleeding en versierselen , onderaan linki.

Sluiten