Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1759/20—22. Hoofdring (tali bonto1), als voren, de buitenzijde overtrokken met witte boomschors (20 en 22) of met zwart katoen (21) en daarover dwarse groepen rood-geel-roode (20) of geel-rood-gele (21) of rood-oranjé-roode (22) katoenreepen, de gele (20) of oranje (22) met plaatjes mica. De aldus gevormde rechthoeken rood, groen, zwart en wit beschilderd (20 en 22) of benaaid met gele en roode ruiten en driehoeken, waarop met wit en rood garen sterren binnen ruiten gestikt zijn (21). Het ornament van n°. 20 bestaat uit verschillende ruitpatronen en een vak met verticale strepen, dat van n°. 22 uit rijen vierkanten met een vierkant als kern, vierbladerige bloemen en door krullen omgeven ruiten (gestileerde buffelkoppen). — Voor vrouwen. To Napoe.

Dm. 16, br. 6,5, 6 en 7,5 cM.

1232/84—86. Als voren (tali*), doch geheel van foeja, langwerpig rechthoekig, licht- en donkerrood beschilderd. In het midden een, door zwarte lijnen begrensde rechthoek, verdeeld in twee smalle en een breeden, horizontalen band. Deze banden verdeèld in rechthoeken, die door diagonalen in geel, grijs of rood geschilderde driehoekjes zijn verdeeld. Het overige van den doek is met roode, horizontale strepen op gelen grond geschilderd. — Gedragen door vrouwen bij offerfeesten. Toradja's.

L. 121, 100 en 100, br. 33, 16,5 en 19 cM.

1759/44—46. Als voren (tali*), doch het ornament bestaat uit roode strepen over de lengte met dwarse, zwarte en rijen roode en gele driehoeken nabij de uiteinden (44) of groote, gerekte, roode en gele in elkaar sluitende driehoeken, door dubbele, zwarte lijnen gescheiden (45) of groote, roode en paarse driehoeken op gelen grond (46). In het midden dubbele, zwarte strepen en daartusschen rijen paarse en roode driehoeken en ruiten (45) of langsbanden met rijen kleine, roode en enkele paarse driehoeken (46) of langsrijen van verschillend verdeelde vierkanten in paars, rood en geel (47). Op enkele plaatsen van 46 en 47 zwart gestippelde cirkels. — Voor vrouwen. To Onda'e.

L. 118, 142 en 141, br. 19, 25 en 18 cM.

1456/21. Vrouwenhoofdband (tali4'), uit twee in de lengte aan elkaar genaaide stukken gele, geklopte boomschors bestaande; aan de uiteinden en bovendien op twee plaatsen breede, paarse en witte dwarsstrepen. To Bada.

L. 232, br. 44 cM.

1759/41 & 43. Als voren 5), doch het ornament bestaat uit roode (43) en gele (41) strepen over de lengte, nabij de uiteinden dwarsrijen. roode driehoeken met paarse randen (41). In het midden paarse en zwarte dwarsstrepen en rijen roode en paarse driehoeken, ruiten en verdeelde vierkanten (41) of een, door zwarte strepen omgeven rechthoek met langsbanden, waarin roode en paarse driehoeken, ruiten en >-strepen (43). — Voor vrouwen. To Pebato.

L. 162 en 116, br. 19 en 22 cM.

1759/30. Als voren»), doch het ornament bestaat uit rijen roode en paarse strepen over de breedte, waartegen driehoeken of gevulde cirkelbogen; daartusschen in de lengte steenroode strepen en hiernaast kransen van zwarte stippen met een roode in het midden. In het midden een rechthoekig vak geheel met dwarsbanden gevuld, waarin zwarte, paarse en roode ruiten en driehoeken in verschillend patroon. — Gewone dracht. To Onda'e.

L. 188, br. 36 cM.

1) Vgl. Sarasin, Reisen in Celebes, II, fig. 38, 41 en pl. III.

2) Sarasin, Reisen in Celebes, H, 103—106. — Meyer und Richter, Celebes, I, pL XV. — Kruyt in At. N. Z. G. XL, 9.

3) Adriani en Kruyt, Geklopte boomschors, 12.

4) Adriani en Kruyt, Geklopte boomschors, 11. — Sarasin, Reisen in Celebes, II, p. 103, fig. 38. 5) Adriani en Kruyt, Geklopte boomschors, 11.

6) Adriani en Kruyt, Geklopte boomschors, 11 vlg.

Sluiten