Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rijen roode en gele driehoeken (250); in het midden een vierkant, dat door de diagonalen in vier driehoeken verdeeld is, waarvan een rood en een blauw (24 en 27) of een rood en twee blauw (28) of twee rood en twee ongekleurd (250), de ongekleurde met roode en blauwe sterren (24 en 27) of cirkels van roode en zwarte stippen (28). Langs de randen breede (24 en 28) of smalle (250), roode strepen of ongekleurde, roode en blauwe driehoeken tusschen dubbele, zwarte strepen (27). 24 27 en 28: gewone dracht der To Pebato, 250: Posso. L- 77, 87, 84 en 71, br. 77, 87, 84 en 70 cM.

1926/218, 269 & 279. Hoofddoeken, als voren, doch in het midden een vierkant, gevuld met eene rood en gele kruisbloem (218 en 279) of door roode diagonalen verdeeld en vier driehoeken, die ieder met witte en zwarte driehoeken en ruiten gevuld zijn (269). In de omringende banden kruisbloemen (218), driehoeken en ruiten (269) of rechthoeken en vierkanten, die ieder met vier witte ruiten of kruisen gevuld zijn (279), bovendien bij alle gestileerde buffelkoppen. De randen geel, rood en paars (218) of rood en ongekleurd (269 en 279), de grond geel (218 en 279) of bruin (269). 218 en 269: AL, 279: Posso.

L. 66, 68 en 70, br. 64, 67 en 68 cM.

1710/100. Als voren1), doch met roode en zwarte figuren op gelen grond: in het midden in een vierkant een groote, achtpuntige ster, omgeven door stippen in cirkels; daaromheen in concentrische randen rijen kruisbloemen en gestileerde buffelkoppen in vierkanten en rechthoeken. De randen zwart, wit en rood. Toradja's. AI.

L. en br. 72 cM. Zie pl. V, fig. 1.

1372/2. Als voren»), doch de grond rood met uitsparing van ongekleurde (geelachtige) ruiten en strepen. Het geheele doek in groote vierkanten verdeeld met randen, waarin rood-gele ruiten op zwarten grond, zwarte of met zwarte kruisstrepen gevulde rechthoekjes. In de vierkanten rijen ongekleurde of met zwarte kruisstrepen gevulde ruiten, gestileerde buffelkoppen, uit krullen bestaande, in het midden sikkelvormige figuren, door rijen met kruisstrepen gevulde driehoeken begrensd. Op de vierkanten in twee hoeken opgeplakte micacirkels. Posso.

L. en br. 70 cM.

1232/92 en 1759/23 & 37. Als voren {siga*), doch in het midden een vierkant, bestaande uit twee gele en twee roode driehoeken (92) of uit twee roode, twee gele en vier paarse driehoeken (23) of een onregelmatig, paars figuur (37). In twee tegenover elkaar liggende hoeken een vierkant, waarin een stervormig figuur, uit ruiten met hoornvormige uitsteeksels bestaande (92) of roode en paarse driehoeken met een dubbelen rand van roode driehoeken (23) of paarse en roode driehoeken met krullen aan de hoeken, omgeven door concentrische randen, waarin paarse, roode en zwart gestreepte driehoeken en ruiten (37). De buitenrand paars, gevolgd door een wit en zwarte streep (92) of ongekleurd (23) of paars met smalle, groene en breede, roodbruine strepen (37). 23 en 37 gewone dracht. 92: Toradja's, 23: To Pebato, 37: To Lage.

L. en br. 75, 72 en 87 cM.

1232/87. Als voren (siga*), doch met roodbruine en zwarte figuren op gelen grond. In het midden een vierkant met een kruisbloem, die door gele diagonalen doorsneden wordt, omgeven door een roodbruinen en een zwarten rand. De beide omringende banden gevuld met vierkanten, waarin achtbladerige en kruisbloemen, vierpuntige sterren met een witte ruit als kern en gestileerde buffelkoppen, omgeven

1) Vgl. Adriani en Kruyt, Geklopte boomschors, pl. HL fig. 5.

2) Adriani en Kruyt, Geklopte boomschors, 11 met pl. III, fig. 4.

3) vgl- Adriani en Kruyt, Geklopte boomschors, p. 11 met pl. II V.

4) Vgl. Meyer und Richter, Celebes, I, pl. XV.

Sluiten