Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sterk getailleerd, zoodat de onderrand puntig uitstaat. Ronde halsopening met aangenaaid, klein, staand kraagje, overigens gesloten. Onderrand met uitgeknipte franjes. Als garen zijn bastvezels gebruikt. M.

H. 48, br. zonder mouwen 42—61, br. over de mouwen 120 cM.

1759/55. Vrouwenbaadje (lemba ralimbi1), als voren, doch in ZrVwfo-sap gedrenkt en daardoor roodbruin en perkamentachtig. — Door weduwen der To Pebato als teeken van rouw gedragen.

H. 45, br. zonder mouwen 40—56, br. over de mouwen 103 cM.

967/12) en 1232/101. Als voren (lemba*), van aaneengenaaide stukken bruine boomschors. De halsopening, de opening der mouwen, de okselholten en de onderrand bij n°. 1 zwart omboord. De halsopening van n°. 101 aan den binnenkant met grijs katoen gevoerd. Op de borst bij n°. 1 een driehoekig opnaaisel en alles met bestiksels van geel garen versierd. 1: M., 101: Toradja's.

H. 62,6 en 54, br. tusschen de mouwen 44,5 en 44, 1. mouwen 43 en 45 cM.

1456/33 en 1926/61. Als voren (lemba4-), doch van een dubbele laag boomschors, de binnenste bruin, de buitenste rood gekleurd. Gesloten, met eene lange, verticale (33) of korte, ronde (61) halsopening, omboord met een zwart strookje met witten rand (33) of met drie rijen witte vezels doorstikt (61). Korte mouwen met een strookje zwarte (33) of witte (61) boomschors. In het midden nauw, naar onderen wijd uitstaande. Aan de voorzijde onderaan breede, witte en zwarte (33) of witte en roode (61) strooken en talrijke opgenaaide, smalle, roode, witte en zwarte. 33: Koelawi, 61: M.

H. 52 en 41, br. tusschen de schouders 55 en 46, 1. mouwen 20 en 19 cM.

1372/6—7, 1456/42 en 1710/105. Als voren6), voor vrouwen; donkerbruin (6) of zwart (7, 42 en 105), met cirkeltjes van mica beplakt. Staande kraag op ronde opening, met een bruin (6, 7 en 105) of rood (42) touwtje te sluiten. Korte mouwen, sterk ingesnoerde taille met ingezette, driehoekige stukjes zwart (6) of rood (7, 42 en 105) katoen. Wijd uitstaande, ronde onderrand. Langs den hals bij n°. 6 twee met driehoeken gevulde, zwarte strepen; op de onderste helft aan eene zijde bij n°. 6 en 105 evenwijdige strepen. 6 en 7: Posso, 42: To Bada, 105: Toradja's.

H. 50, 57, 59 en 57, br. over de mouwen 78, 86, 79 en 96 cM.

«759/57 en J926l59' Als voren (kalewa*), uit slechts één laag zwarte (57) of uit een laag zwarte en een laag bruine boomschors (59) bestaande. Op borst en rug vier rechthoekige stukken wit katoen, door roode (57) of zwarte (59) driehoeken gescheiden. Op de schouders gele (57) of geel en roode (59) driehoeken met roode krullen. De mouwen met verlengstukken van wit katoen, bij n°. 59 begrensd door afwisselend witte en gele driehoeken met roode basis. 57: To Napoe, 59: M.

H. 62 en 68, br. 33—77 en 33,5—86, br. over de mouwen 88 en 98 cM.

1232/98 & 100 en 1926/60. Als voren Uemba"1), van een dubbele laag boomschors, de bovenste zwart, de onderste bruin. Op de borst en den rug trapezia van rood

1) Adriani en Kruyt, Geklopte boomsckors, 7.

2) Serie 967 don. C. F. Driessen, Nov. 1893.

3) Adriani en Kruyt, o. c. 218. — Idem, Geklopte boomsckors, p. 9 vlg. met pl. V, fig.

1 2. Kruyt, Woordenlijst, 40, s. v. — van Hoëvell, T. I. T. L. Vk. XXXV, 25. —

Meyer und Richter, Celebes, I, pl. XIV, fig. 27.

4) Adriani en Kruyt, o. c. 10. — Med. Ned. Zend. Gen. XL, 148.

5) Vgl. Adriani en Kruyt, Geklopte boomsckors, 9—11 en 20. — Meyer und Richter, Celebes, I, p. 58, n°. 480 met pl. XIV, fig. 27.

6) Adriani en Kruyt, Geklopte boomsckors, 20—21. — Sarasin, Reisen in Celebes, II, fig. 41—42.

7) Adriani en Kruyt, De Bare'e-sprekende Toradja's, II, 218. — van Hoëvell, T. I. T. L. Vk. XXXV, 25. — Meyer und Richter, pl. XIV, fig. 26—27.

Sluiten