Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1008/16—17 Vrouwenbaadjes, zonder mouwen, als voren, doch van groen neteldoek, met zilveren sterren. Van voren dicht, met diep uitgesneden halsopening, die bij 17 met reepjes bladgoud omboord is. De armopeningen met opengewerkte driehoeken van bladgoud omboord. Paloe-baai.

L. 54 en 58, br. tusschen de schouders 75 en 81 cM.

d. Lendendoeken.

804/251. Lendendoek, bestaande uit een stuk witte, geklopte schors van den kajoe boejang*). — Door mannen gemaakt. Toradja's. L. 225, br. 113 cM.

e. Rokken (sarong1,)*). I. Van boomschors.

1377/10. Sarong, van den geklopten bast (foeja) van een jonge ficussoort, roodbruin. Tomori.

Br. (dubbel gevouwen): 139, h. 94 cM.

1456/43. Slaapsarong (koemoe pasoea*), van bruinen, geklopten boombast; ruw; uit één stuk, aan elkaar geklopte koker zonder naad. — Algemeen door vrouwen gebruikt om daarin te slapen. Koelawi.

H. 196, br. (dubbel gevouwen): 176 cM.

1759/16. Als voren (kasoea6), van geklopten bast van den noenoe-hooxa (Urostigma sp.6); roodbruine koker met sporen van een fijnen foeja-haxaer. — De noenoe (waringin)-bast wordt bijna alleen in Napoe voor het vervaardigen van kleedingstukken gebruikt. To Napoe.

H. 144, br. (dubbel): 257 cM.

1456/68. Vrouwensarong7) (topt), van geklopten, bruinen boombast; gesloten koker, zonder naad, over de hoogte geribt. Zuidelijke oever van het Possomeer. H. 135, br. (dubbel gevouwen): ito cM.

776/43. Als voren8), met plooien, van grove, geklopte, witte boomschors. De bovenrand naar buiten omgeslagen en de rok door middel, van een, onder dien rand geplaatsten rotanband om het midden bevestigd; van achteren wordt een gedeelte bij wijze van tournure opgenomen. Door vrouwen der To Napoe gedragen.

L. 110, br. 86 cM.

43/116. Rok, van witte boomschors, het midden versierd met twee rijen, met de toppen naar elkaar gekeerde driehoeken en verder een aantal groene, bruine en gele stippen. Posso.

L. 112, br. 87 cM.

1926/326—327. Als voren, doch met een patroon van roode, elkaar snijdende, rechte lijnen, die in een driehoek uitloopen, omgeven door zwarte cirkeltjes met roode omtrekken. Langs den rand een rij paarse en enkele roode, verticale evenwijdige strepen. Bei n°. 327 bovendien aan de hoeken gestileerde buffelkoppen. Posso.

L. 100 en 106,5, br. 80 en 86 cM.

1926/316—317 & 328. Sarong's, als voren, doch het patroon bestaat uit ronde, roode bloemen, gescheiden door kruisen en strepen (316) of groepen van drie elkaar

1) Cat. Bat. Tent. n«. 2021. 2) Weber I. A. f. E. TH, Suppl. 36.

3) Vgl. Adriani en Kruyt, Geklopte boomsckors, 8 vlg. — De Bare'e-sprekende Toradja's, TL, 217, 223.

4) Adriani en Kruyt, Geklopte boomschors, 8, 9. — Meyer und Richter, Celebes, I, p. 54, n°. 488. — De Bare'e-sprekende Toradja's, H, 318. — Kaudern, / Celebes obygder, I, 247, 249.

5) Vgl. Adriani en Kruyt, Geklopte boomschors, 2 en 9.

6) de Clercq, n°. 1442: Ficus Benjamina.

7) Adriani en Kruyt, Geklopte boomschors, 8. — Meyer und Richter, Celebes, I, p. 57, n°. 346.

8) van Hoëvell, Todjo, Posso en Saoesoe (T. I. T. L. Vk. XXXV), 5, 24, 43.

Cat. Rijks-Ethn. Museum, Dl. XVIII. 10

Sluiten