Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Als de schimmen van eeuwen gestorven bewoners eens in 1913 terug waren gekomen en ze hadden gezien, hoe de kasteelheeren van die elkaar eens vijandig gezinde sloten de handen ineen sloegen om samen te werken tot een meerdere bekendheid van hun mooi gemeenschappelijk dorp, dat eigenaars op hoffelijke wijze hun bosschen en parken openstellen voor... den gemeenen man, ze zouden gewis gevlucht zijn naar de sombere geestenwereld, vol afkeer van de democratische opvattingen der hedendaagsche edellieden. Doch Vorden's landgoedbezitters hebben zich niet laten leiden door verouderde tradities, welke geen ander onderscheid maakten dan edelman, bedelman ; zij stelden zich liever tot devies de opwekkende woorden van den dichter A. G. W. Staring, die evenals zij eens een dezer vermaardste kasteden bewoond heeft:

„Ontvlucht nu de steden, Wie vreugde begeert 1 Ontvlucht ze nog heden De lente regeert!"

Doch het vandalisme, dat ik reeds herhaalde keeren in deze hoofdstukken aan de kaak moest stellen, heeft ook veel ééns hoffelijk opengesteld wandelgebied aan de gemeenschap onttrokken. Bij herhaling heeft Baron van Pallandt van Rosendaal zich beklaagd over baldadigheid en vernielzucht en dit heeft hem er gewis toe gebracht het park niet alleen des Zaterdags, maar ook des Vrijdags voor het publiek te sluiten. Want steeds behoort het tot het goed recht van den eigenaar zijn terreinen af te rasteren en bij ieder pad een bord te plaatsen met het dreigende artikel-461.

In onze dagen geeft het voor wandelaars zoo teleurstellende artikel 461 den eigenaar niet alleen de macht jachtovertredingen te bekeuren, maar wordt het door hem ook allerwege gehandhaafd om zijn bezitting „van vreemde smetten vrij" te houden. Overal ziet men die bordjes, welke ervoor 99 °/o alleen gekomen zijn door de onbeschoftheid van het publiek,

Sluiten