Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

thans in heel Nederland, op eenige sporadische brokjes na, totaal verdwenen zijn. Heimans schreef daarover reeds voor een jaar of vijftien terug in „De levende Natuur^' en noemde deze landschapsvorm een voor ons land verloren schoonheid. Daarom achtte hij het zoo gewenscht, dat de weinige restantjes van deze heideformatie, die nu nog bestaan, behouden konden blijven als herinnering aan vervlogen tijden, ook als aanschouwingsmiddel voor het nageslacht, dat gaarne zal willen weten, hoe de vlakke aarde er uit zag, toen de oppervlakte nog niet geheel voor bouwakkerra hooivelden, villaterrein of mijndorpen in beslag was; genomen.

Tot zijn j*roote verbazing vond Heimans nu in 1911 in de Schoorlsche duinen — en wel het mooist op drie plaatsen aan den Noordkant van de Staats-^ bebossching bij den Mosweg — zulk een typisch beltheide-terrein, waar het blauwe buntgras als beltvormer optrad. Heimans als warm voorstander van natuurbescherming sprak de hoop uit, dat het plekje zonder kosten of moeite gereserveerd zou kunnen worden. Nu, daartegen zal net Staatsboschbeheer zeker geen bezwaar hebben, want mét volle inachtneming der economische belangen worden de ideëele daar niet Uit het oog verloren. Ruskins uitspraak uit de „Prosperina": „Nor is the world so small but that we may yet leave in it also unconquered spaces of beautiful solitude", werd "bij tiet in ontginning brengen van staatswege steeds als stelling, aanvaard. Zoo zal in de uitgestrekftf houtvesterij Kootwijk een gedeelte van een merkwaardig stuifzand in zijn oertoestand bewaard blijven, imponeerend door zijn woeste ongebondenheid, dat tevens het nageslacht kan toonen, hoe uit een rusteloos woestijnoord dichte dennenbosschen kunnen ontstaan, hoe door zorg en toewijding „'t wild en bijster land" kan worden ontgonnen tot een modelwoud. Steunend op hetzelfde beginsel worden op Texel nabij het doroie De Koog een tweetal groote duinpiassen

met de omliggende duinen en valleien van „De Muy,"

„de Slufter", en de „Nederlanden", wel een uitgestrekt-;

Sluiten