Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

architectonische lijnen, slechts „met mate" als versiering tegen de wanden te worden opgeleid.

Het vraagstuk hoe stads- en buitenhuizen door een plantendecoratie te versieren, treedt meer en meer op den voorgrond. Mocht ik in een der eerste hoofdstukken van dit boek wijzen op de loffelijke pogingen welke de V.V. 't „Koggeschip" te Amsterdam en „Nijmegen Vooruit" hebben aangewend om de troostelooze gevelrijen door een kleurig bloemetje wat op te vroolijken, door de overal verrijzende tuinsteden en tuindorpen ('t Lansinck te Hengelo, Heyplaat te Rotterdam, Musschenberg en Verschuerstichting te Arnhem) alsmede door de aesthetische verzorging van de volkshuisvesting, hebben ook gemeentebesturen en niet het minst vereenigingen voor de plotseling populaire „volkstuintjes" hun aandacht geschonken aan de gevelversiering, waarvan de heer G, Steen in een handig en goedkoep boekje heel wat interessants weet te vertellen.

Zoo is in de laatste jaren ook weer de aandacht gevestigd op de gevelsteenen en uithangborden, welke in zoo menig oude stad den aandachtigen vreemdeling op vaak bekoorlijk-naïeve wijze wat mededeelen van het bedrijfs- of gevoelsleven der huisbewoners. Of wel— meegaande met den geest der pseudo-klassieke renaissance — in het Latijn al de humoristische, ijdele, levenslustige en innig-vrome karaktereigenschappen der -middeleeuwsche bewoners vertolken.

Oude gevelsteenen zijn de adelmerken van een stad, zij dateeren in hun verweerde grauwheid uit de dagen, toen men zich nog voorstelde te bouwen voor altijd, toen het zetten van een huis een werk werd, waarvoor de nakomelingschap den stichter dank verschuldigd is. Toen legde men steen op steen, omdat men instinctief vermoedde, dat er een tijd zou komen, waarin die steenen voor gewijd zouden worden gehouden en waarvan de menschen, als zij den arbeid en het gewrochte aanschouwen zouden zeggen: „Dit hebben onze vaderen voor ons gedaan". Naarmate er van onze oude vaderlandsche

Sluiten