Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In een beschouwing over de verandering der Arnhemsche plantsoenen, formuleerde de kunstschilder B. Jansen zijn opvattingen in: „Onze gazons zijn vaak overladen, wij moeten de grondvlakkeh en groote massa's versieren, zooals een steen een ring versiert, maar niet zoo, dat die onderdeden gaan domineeren~ ten koste van het geheel. Evenals in een schilderij vaak een schijnbaar nietig voorwerp een groote rol in het lijnenverband speelt, evenzeer kan een enkele boom,' struik of plant het verband of de harmonie van het geheel verbreken. We moeten ook zorgen, dat we de beplanting aanbrengen in de richting van het grondvlak."

Zeker, het was te begrijpen, dat velen zich geroepen voelden in ingezonden stukken luide klachten aan te heffen, toen de nieuwe aanleg van den Nijmeegschen Stationsweg, het vellen van boomen in de kracht van hun' leven noodzakelijk maakte, het was te verschoonen, dat men Brouwers fontein,; temidden van ten doode opgeschreven struiken, verwaarloosd gazon en rommelige perken, bot en plomp vond.

Maar het stemt mij tot verheugen, dat reeds thans, in de voorbije zomermaanden, vreemdelingen — zij die niets weten van de netelige kwestie over „schunnige" boomen en de „oorlogsprojectielfontein" — zoo luide de entrée van Nijmegen-tuinstad prijzen.

Al houdt men zich in de stad van Carolus Magnus nog wat gereserveerd, ik geloof toch dat ik de hoop en het vertrouwen mag uitspreken, dat Nijmegens voorbeeld elders navolging zal vinden, en dat deskundigen als Willem Brouwer, D. Tersteeg, Hartogh Heyss van Zouteveen, Leonard Springer en mej. Baas Becking, bij wie voorstellingsvermogen en scheppings* drang hoofdzaak zijn, en die een groote kennis van de natuur paren aan een liefde voor hun kunst, in komende jaren vele' opdrachten mogen ontvangen voor het ontwerpen en versieren van plantsoenen» zoodat het kunstleven van het Nederlandsche modern-

Sluiten