Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aangekocht met de bijbehoorende schuren, schaapskooien, bakovens, wönersplaatsen, spikers, kruidhoven, ganzenhokken enz., en zoo het centrum harer grootsche bezitting — het gehucht Wilsede — gemaakt tot een modél „Heidemuseum". Wanneer men nu weet, 'dat alles — ook het simpelste gebruiksvoorwerp — daar in dat museum op zijn historische plaats te vinden is, waar het duidelijk de actieve rol aangeeft, welke het eens in het boerenbedrijf of het huiselijk gebruik van\ den „Heidjer" heeft gespeeld, dan zal men met de herinnering aan Goethe's hekelend gedicht, waarin hij heeft gewezen op het ontbreken van „das geistige Band" in zooveel aaneensluitenden, voorde gemeenschap zegenrijken arbeid, het den Amerikaanschen hoogleeraar nazeggen, die bij een bezoek aan Wilsede opgetogen verklaarde: „Naturschutzpark en Heidemuseum behooren te zamen als lichaam en ziel".

Want zonder de kennis van het volk, dat van geslacht tot geslacht zich verbonden wist aan de „Zentralheide", zonder iets te weten van het intieme leven dezer eenvoudige menschen, zal men nimmer de volle bekoring ondergaat, welke de Lüneburgerheide tot het lievelingsverblijf maakte van schilders en dichters. Deze vonden er hun inspiratie voor werken van hooge en blijvende waarde, als de heidestukken van August Vogt—Fölger, Rudolf Hermanns, E. W. Baule, ja van heel de Scheeszeler schildersbent bewijzen, terwijl Aug. Freudenthals er zijn „Heidefahrten" dichtte en Herraann Löns er „Mein braunes Buch" schreef.

Mochten de schilders in Duitschland den stoot geven aan een misschien wel eens zich sentimenteel uitende heidevereering, in zijn voordracht over „Volkskunst en Heemschut", gehouden op de tweede Heémschutconferefitie te Amsterdam, wees Jan Gratama ook ten onzent er op, hoe de schilders in Nederland eveneens waren voorgegaan in de waardeering van de oude volkskunst, die welbeschouwd voor onze cultuurontwikkeling van grooter beteekenis

Sluiten