Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DICHTERLIEFDE

Een minstreel zong des morgens door 't gehucht. De wind woei blij den heelen hemel open, het was een dag om met een vlag te loopen onder de wolken als een vogelvlucht.

Daar knarste een raam, daar neeg een edel hoofd, daar ging een oor nog half onwillig luistren, een oog schoot stralen: tot een lieflijk fluistren kromp toen de windstem, 't zonlicht scheen verdoofd.

Üit grauwen slotmuur wenkte een witte hand, de valbrug daalde en droeg den zwerver over: hij zingt en zwijgt en luistert, en de toover bevangt hem die de vrijste was van 't land.

Maar ook haar licht sterk hart werd zwak en zwaar ; hij week eerbiedig en vol schroom ter zijde, en ging, toen hij gespeeld had, zoo bescheiden en schamel als een vreemde bedelaar.

Een bedelaar, maar een vermomde prins : liet hij een oogenblik zijn lompen vallen, hij was haar meester, en haar trotsche hallen verschrompelden tot een verweerde stins.

Van heel haar fierheid schaamtevol begeven, kwam ze uit den bouwval bevend hem temoet en volgde zonder omzien zonder groet zijn levend fluitspel door den dood van 't leven.

Hij doet het niet: zijn koninklijkste gratie is arm te blijven, dat zij rijk moog' zijn, is laag te wijlen in verworpen schijn, opdat zij tronen moge in volste statie.

Sluiten