Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SABBATMORGEN

De sabbatmorgen bruist van zonnelicht. En windjes stoeien langs den top der duinen, van wier bemoste, heugnislooze kruinen

het dorpenrijke Holland voor mij ligt.

Hoe trillen nok van hoeve én godsgesticht! En zuilen hitte stijgen van de daken ; verkwikkend koelt van al te hevig blaken

een zuchtje van de zee het aangezicht.

Maar zee en zonlicht kan geen ziel meer heffen tot God, sinds God van allen is geweken, en tot dit scheppingswerk niet wederkomt.

Dat doet zijn geest de duizenden beseffen, die onder 't gindsche dak genade smeeken, wiens torentop de elfde ure bromt.

ZOMERMORGEN

Het dak, rondom in 't zwellend loof verborgen en schaarsch omvloeid van zuidewind en zon, druipt van een zangenvloed uit zuiv're bron:

eén vederwolk) een hartwolk zonder zorgen.

Hoe drinkt de zon de tranen van den morgen, het stille bosch zijn vochtig bloemaroom en 't jonge paar den kelk vol liefd' en schroom,

diep in de koele marmerzaal verborgen.

Sluiten