Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoor, hoor het zilv'ren trill'ren als een vreemdZalig verblijden,

Waar, boven bosschen en beschenen beemd, Naar alle zijden

De wijde ruimte oneindig openblauwt, De zonne schijnt,

En, onder 'tjuub'len van zijn heilig lied, Die 't zong, verdwijnt.

Om, als verzaad van zon en hemelgloed

Zingend te dalen, Maar straks, als een die steeds verlangen moet

De warme stralen Van 't zomersch licht te drinken van nabij,

Wéér 't aardsche ontstijgt En niet kan rusten voor de lentedag

Ter kimme nijgt.

RUST

In het uur, dat de lucht nog niet duister is,

— Even vóór den nacht — Omhoog nog de laatste luister is

Der verbleekte zonnepracht;

Waar de wijde rust, na den blijden dag

Op aarde ligt uitgespreid, Alsof zij sinds eeuwige tijden lag

En zoo liggen zal voor altijd;

In het uur, dat langzaam kleppende slaat

Uit een stil dorp een klok, En een landman stalwaartstappende gaat

Naast het span dat de ploegschaar trok,

Sluiten