Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET MANELICHT

De mane zit, in 't henengaan

des hemelsblauws, geboren : gegeluwd en georanjescheld,

heur haar al afgeschoren: een' penning is ze, een kunstpalet

van goud gelijk, daar even zijn twee drie vagen duisterheid

van verwen op gebleven.

Geen sterre en is, de mane alleen,

geen sterre en is ontsteken, 't en zij, omtrent den ijzerweg,

de hooge stallichtreken; en, ruischend rolt het rad voorbij,

het rad, dat, op de schenen, een snoer van snelle wagens voert,

en schielijk is verdwenen.

Geworden is de mane nu

veel minder, en, van wezen, zoo wit als zuiver zilver is,

van 't bünkendste, uitgelezen. De nacht en is zoo schuw niet meer,

en, iedereen een' bronne van weemoed, weemoedstranen strooit

de zuster van de zonne.

Vertroost u mane, 'et zonnelicht

aanschouwt ge : ons, arme lieden, en mag dat in den weêrschijn maar .

van 't manenbeeld geschieden ! Wij danken u, die, weemoedsvol,

de weemoedsvolle banen der menschen, als de zonne rust,

vertroost, met uwe tranen.

Sluiten