Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Siddhartha ging terstond naar huis, en bleef Alleen, een langen tijd, en peinsde, peinsde. . Hij wist nu, dat de wereld is vol weedom, Dat alle leven lijden in zich bergt En op den schoonsten bloei verrotting volgt. Hij wist nu dat de menschenwereld is Vol ziekte en vol afzichtelijke ellende, Dat op het leven ouderdom en dood Zoo zeker volge' als schaduwen na 't licht. En de geruchten, die met d' avondwind Van buiten uit de wereld tot hem kwamen, Verstond hij nu: Het leven is een kringloop Van dood en leven, eeuwig zich herhalend. De dorst des lichaams, de geweldige dorst, Zweept ons erbarrningloos door 't heete leven, En de arme m'ensch verblijdt zich telkens weer Om 't vluchtig en bedrieglijk spel der zinnen Die deze wereld van begocKmling weven ; Maar de geleschte dorst wekt nieuwen dorst En het gestild verlangen nieuw verlangen En 't einde, 't droevig einde, is altijd weer Ontgoochling, nieuwe dorst en nieuwe pijn.

Tot het geschiedde dat ten vierde male

De prins met Tjanda ging door 't park en zag :

Een monnik. De oogen van den heiige waren

Vol vrede en heerh^kheid, zooals een meer,

Een diep blauw bergmeer, dat geen wind beroert.

„Wat is dat, Tjanda ?" — „Heer, een bedelmonnik". -

„Zoo wil ik worden", dacht Siddhartha toen,

„En voor mijzelf en voor de gansche wereld

Den weg naar vrede en naar verlossing vinden."

Toen nam hij 't vast besluit, zijn weeldrig huis, Zijn vrouw en pas geboren kindje te

Sluiten