Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En roode pannen, uit de straat was 't flauwe Gerucht hoorbaar der zwarte smederij, Het ijzer klonk onder de hamers, zij Hamerden in cadans de spranken vuur. De straat was leeg, ze zag aan deur twee buurvrouwtjes staan spreken en een zwarten hond Rondloopen. Onder groene linde stond Een oud man in de westerzon te zien, En achter 'n huis 'n vrouw onkruid te wiên. • Toen ging een schooldeur open en daaruit ■. ■ Kwamen een stoet van kinderen, geruit Droegen de meisjes boezelaars, geklos Van klompen en jongensgeschreeuw brak los. Twee vochten er, de rest stond er om heen ; Tot meester kwam, toen gingen ze bij tweên En drieën huiswaarts, broertjes hand in hand. Zij zag ze hier en daar over het land En brugjes gaan en langs een lage heg, En door de dorpstraat, waar ze plotsling weg Doken in huis, geborgen onder 't dak. Toen was 't weer stil behalve het klikklak Van staal, en uit een stal dof koegeloei. Ze kon ook zien hoe in de dorpstraat woei Tusschen de huize' een boschje van seringen, Een duivenpaar vertrok op witte zwingen Het zwerk met vlerkgeklepper in, en zwom In kringen voor den steilen hemel om.

Daar kwam de maan en als een admiraal Voer ze den hemel in, die, zelf in 't staal, Voor op de plecht staat achter 't gouden schild. Wit zwellen zeilen op het blauw, het zilt Ziedt en verteert in sprenkels fijn zeeschuim.

Sluiten