Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En bij de voordeur spitst hij d ooren Om in de marmren hal 't geluid

Van naderende schreên te hooren . . Maar niemand die ons opensluit.

Geen wellekom zal meer gemoeten,

Van jongen lach en jongen blos, Den koenen ruiter die tot groeten

Intoomt zijn steigerende ros ; Er waren enkel doode droomen,

Waar eenmaal woonden lach en lied ; De avondwind vaart door de boomen . .

Maar ach, een echo voert hij niet!

Wijs is, wie zonder wederstreven

Gelaten zijn geluk ontzegt; Want wat het leven heeft gegeven,

Ontneemt het naar zijn heilig recht. Maar werwaarts ons het Lot te morgen,

Ver in de wereld, dringt en drijft: Al wat aan Liefde is geborgen

In 's harttn schatvertrek: dat blijft!

THALASSA !

De nacht was in de eikebosscheu Tusschen de heuvlen klaar en koel;

En statig stapten onze rossen,

Naar 't oosten en 't verlangde doel.

Toen woei een windje in. onze ooren Een vreemd gemurmel ver en veeg . . .

En brieschend sprong mijn vos naar voren In onbevolen draf, en steeg,

Sluiten