Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En stond ter kmine. Onbewogen, Onder de koperroode maan,

Aanschouwden onze ontroerde oogen, Onmetelijk, den Oceaan !

DE STERVENDE PEEGRIM.

Wanneer in 't moordend licht, te midden der woestijnen,

De moede karavaan van wreeden dorst versmacht, Ontschuilt ze, in 't zand gehukt, 't alzengend zonne-

schijnen,

En beidt, in loomen slaap, den koelen wind der nacht.

Maar dan, met d'eerste ster, herrijst ze, en staat reisvaardig :

De lendenen omgord, de kemelen belaên ... Alleen één schaamle pdgrim voelt, ontzet, wreédaardig Der onmacht looden boei zijn lamme lende omvaên.

Wel als in diepen droom hoort hij van ver weerklinken Het koperen signaal, dat 't uur der afreis meldt,

En rijst. . . maar valt. . , rijst weêr . . . voelt zich zijn

krachte' ontzinken . . , En zijn berusting weet zich tot den dood geveld.

En langs zich, zwart fantoom, ziet hij den stoet ver-

. dwijnen

In 't melken licht der maan, en, 't oor in 't zand geleend,

Hoort hij, een dof gerucht, der keemlen draf verkwijnen, En heft zijne oogen op naar d'eenzaamheid, en weent!

Sluiten