Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zóó al den bangen nacht. Doch als de heuvlen vangen Den matten mauven gloor van 't rijzend morgenlicht,

Verheft hij, eerst, naar 't oost, de stad van zijn verlangen, Nog eenmaal, en voor 't laatst, 't aanbiddende aangezicht.

Maar dan, met zijne huik, aleer, na weinige uren, 'T delirium der dorst hem zijn verstand verdwaast,

Verhult hij zijn gelaat voor 't fel geloer der gieren, Wier geilheid op den buit van stervende oogen aast:

De dichter, met een wijle uit woorden saamgeweven, En rond zich als een waas van weemoed uitgespreid,

Verbergt, voor het gemeen, de waarheid van zijn leven, Het smartelijk gelaat van eige' ellendigheid.

TANQUAM FIEIUS.

Wel vaak ik heb gezongen,

Voor menig droevig hart, De melodieuze wijzen

Van 't stille lied der smart: Maar nu heb ik ontfangen

'T begeeren mijner jeugd, Wil ik nog eenmaal zingen

Het hooglied mijner vreugd !

Vroeg uit mijns vaders woning

Dreef mij 't verlangen uit, De woningen te vinden

Van harts beloofde bruid : Om liefde's woon te vinden

Wou 'ttrotsche hart voortaan Wel eigen wegen volgen,

Langs eigen paden gaan.

Dichter» na '80. 4

Sluiten