Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ALEX. GUTTELING

UIT : ORFEUS EN EURYDICE

Orfeus was groot en schoon. Hij stond te staren

Hoog op een heuveltop, waar donkre wouden

Afdaalden naar de bloemenrijke vlakte,

Die in den zonnegloed te branden lag.

Hij scheen een Phoebusbeeld, van marmer blank

Gebeeldhouwd, want zijn blinkend-wit gewaad

Bewoog niet, wijl hij onbeweeglijk stond

En wellicht liedren uit de schoonheid schiep

Van 't stralend leven, dat zich voor hem breidde

En 't weeïge dal omzweefde met een schijn

Van teederheid, die in zijn dichterhart

Een stroom van klanken machtig deed verrijzen.

Zoo wekt de zon, wier purpren stralenpracht

De golven kust bij 't lachende ondergaan,

Een roze weerschijn op de golven, die

Een blij geruisen dan zachtkens op doen zweven

En slapen gaan bij 't eigen wiegelied. —

Een Phoebusbeeld — zijn haren waren blond,

Zijn oogen blauw en vol van zachte rust,

Wijl zij niet zoekend langs de heuvels dwaalden,

Maar vrede vonden in dat ééne schoon.

Dat, als een waas van zonnelach gespreid

Sluiten