Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WILLEM KLOOS ■ 1

UIT ; VERZEN II.

Zooals daar ginds, aan stille blauwe lucht, Zdveren-zacht, de half-ontloken maan

Bloeit als een vreemde bloesem zonder vrucht, Wier bleeke bladen aan de kim vergaan, —

Zóó zag ik eens. in wonder-zoet genucht,

Uw half-verhulde beelt'nis voor mij staan, —

Dan, met een zachten glimlach en èen zucht, Voor mijn verwonderde oogen ónder-gaan.

Ik heb u lief, als droomen in den nacht, Die, na een eindloos heil van éénen stond, Bij de eerste schemering voor immer vloón, -

Als morgen-rood en bleeke sterren-pracht,

Iets liefs, dat men verloor en niet meer vond, Als alles, wat héél ver is en héél schoon.

XXII.

De boomen dorren in het laat seizoen, En wachten roerloos den nabij en winter. Wat is dat alles stil, doodstil.... ik vind er

Mijn eigen leven in, dat heen gaat spoên.

Sluiten