Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Des daags hield zij zich schuil in 't ruime schip,

En toonde zich 't eenvoudig scheepsvolk niet.

Gehjk de lotos, die haar blanke kelk

Voor daglicht sluit, maar als de heil'ge nacht

Zich droomend neervlijt op den Gangesstroom,

Haar stengel opheft tot den glans der maan,

Zoo zat ook zij te staren in den nacht

Naar 't trage nijgen van het beergesternt,

Dat nauwlijks merkbaar langs den hemel gleed,

En de and're sterren stuwde voor zich uit.

Of in zijn hoede meetrok naar de zee.

Maar bij het naad'ren van den vierden nacht

Verrezen neev'len aan den horizon,

Eerst zwak en grauw, een ijle schimmenstoet,

Doch .dra zich dichter pakkend tot een wa

Van donker wolken-weefsal, die de lucht

Bespreiden ging en langzaam 't licht verdreef,

Dat schromend nog mocht talmen, ster bij ster.

Zooals een kleine sneeuwbal, dien een knaap

Door 't blank-bedekte veld al verder rolt,

En aan doet groeien tot een loggen klomp,

Zoodat hij hem niet meer bewegen kan,

En vruchtloos duwt en rukt aan 't stugge brok.

Zoo groeide uit lichten nevel 't donderzwerk.

De wind verhief zich uit zijn loomen slaap.

En stormde op arendsvleug'len door de lucht,

Het schip van Thebe jagend als een hert,

Dat honden tierend volgen door het woud.

De stuurman riep : „Haalt snel de ra's omlaag

En rolt de zeilen op en knoopt ze vast 1"

Het scheepsvolk deed gehoorzaam zijn bevel,

V/aardoor de woeste schokken van den wind

Hun kracht aan 't schip verspilden ; maar 't gefluit,

Dat raasde door het losse takelwerk,

Was angstverwekkend, en bij wijlen blonk

Sluiten