Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gekarteld bliksemvuur ten hoogen trans, Gevolgd door dreunend rollen, en de zee Werd opgewoeld uit zijnen diepsten schoot, En beurde 't schip bij wijlen naar omhoog, Of deed het zinken in een duist're kolk, Omgeven door een wal van bruisend nat. En angstig liep het scheepsvolk door elkaar, Geloften brengend aan de hooge goón ; De stuurman riep bevelen, maar vergeefs. Door 't wilde stormgebulder overstemd.

Maar Niobe bleef zitten bij de plecht,

Doodsbleek, en klemde zich aan 't touwwerk vast,

En hield de lippen spraakloos op elkaar,

Een marm'ren beeld gehjk, want voor haar oog

Doemde als in droom een wondervreemd visioen.

Twee vrouwen schreden op de troeb'le zee,

En de een was trotsch, en ging met wijde schreên

Rondom zich blikkend, vóór haar gezellin,

Het hoofd geheven op den fleren nek,

Gekroond met gouden kroon en diadeem,

Het heerlijk hjf gehuld in purp'ren kleed,

Aan d' onderzoom omstroomd van golvend goud,

Dat op de baren scheen met heev'gen- gloed,

Als 't helle zonnevonken op metaal.

Doch de and're droeg een zuiver-wit gewaad.

En op de schouders daalde 't losse haar

In schaduwende tressen, en zij schreed

Met kalme passen langs de waterbaan,

De need'rige oogen richtend vóór zich uit ;

En van haar ging een teeder-blanke glans,

Als van de maan, zich spieg'lend in een meer.

Waar de eerste ging, daar woelde 't vocht omhoog

En spoot geweldig opwaarts, als een bron

Van kokend water in de IJslandsche zee,

Sluiten