Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De knechten korten mij, wijl ik vol statie tafel, Den tijd met groven scherts en goedgemeenden raad. Ik duld hun spotternij op vodden en geraf el. Als een goedmoedig vorst zijn hofnar kallen laat.

Wat zou hun schalke jok mijn rustigheid verstoren, Daar ik mij zeiven kwets en altijd dieper wond ? Gehoord, vergeet ik 't reeds, maar nimmer gaat verloren, Waarmee'k de ellendigheid der eigen ziele schond.

En nooit ontsnapt mijn mond de bitterheid van 't leven : Heel de aarde tot bezit en nergens heul en rust. Doch weegt het leed tê zwaar, dan glimlach ik maar even, En hun nieuwsgierigheid is weer in slaap gesust.

Dan klim ik, als een prins, ten geurigen alcove Van hooi, een paardendek als zachten peluw mee. En als 'kmijn kleumsche leên tot milde warmte stove, Schikt aan mijn voeten zich de goede hond gedwee.

Zoo sluimer ik een wijl. Als *t licht de kim komt rooden Eekt reeds zijn lauwe tong den^slaap van mijn geztcnt En zuchtend rijs ik weer, en ga, en dank de boden. Doch, brommerig en slaaps, slaan zij de deuren dicht.

O wijde wereldrijk, weer zwerven mijne voeten, Wéér ga 'k, met tranend oog, uw wijden einder toe. Och, mocht 'k dees Avondstond die diepe rust gemoeten Die nimmer einde neemt: ik ben zoo moe, zoo moe.

Sluiten