Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MORIE METZ'KONING

MIST

Verloren in mist staan de omsluierde boomen, Vervreemd van elkaar, langs de onzichtbare hei. Zooals in droeve oogen wel tranen opkomen. Zoo zwellen er droppels aan 't takkengewei,

Aan 't natzware takkengewei, dat ze steken Zwart-grijs in den mist; en, met zoekend gebaar, — Als zouden ze gaarne wat vriendelijkheid spreken, Wanneer ze 't maar konden, — ook stil naar elkaar.

Ze lijken me menschen, in eenzaamheid levend, Schoon vlak bij elkander; vervreemd en verkild, Toch stil elkaar zoekend ; toch schuchter nog strevend Naar vriendlijkheid . . . daar hen verlangen doortrilt.

Doch zwaar hangt in zwijgen vervreemding van jaren Als mist rond hun zijn; en ze tasten in grauw. Zoo staan ze in de onzichtbare toekomst te staren, Vereenzaamd en schreiend in hulploozen rouw.

Sluiten