Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE EIKEL, TIKT

De eikel tikt in uw verlaten dreven

en beukennootjes ritslen op uw mos,

o Vlaandren, nu uw schoon en edel leven

versterft met bleeken blos;

uw schemerige bosschen blauwig wazen

en elke kruin gloeit van wat oude zon ;

maar 't bösch is leeg van vogelen en hazen . .

Uw verte gromt van 't grof kanon.

De avondmist loomt eenzaam in de lanen

en 't ziek geblaerte ruischt vergelend neer;

uit alle kruinen bigglen heete tranen

met diep en zacht verzeer;

de eikenkant riekt van verstorven geuren

en ginds een vijver zilvren doornen spon.

Wie zal mijn Vlaandren uit zijn nood opbeuren ?

De verte rommelt van 't kanon.

De wegen strekken wijd vol stilligheden

van herfstge smoren, duister en verdoft;

uit bronzende kastanjeboomen gleden

de bolsters; 't kraakt en ploft . .

Het stervensuur, de doodstrijd en 't verscheiden

langs elke baan en wegel straks begon . .

o Vlaandren, wie kan u ten zomer leiden ?

Uw verte dommelt van 't kanon.

Sluiten