Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat witte tolhuis met zijn ruitgeflonker, •) *t Wievormigtuintie er vóór, waar 't kind een bloemkrans

vlocht;

En daar, van verre huiswaarts wenkend, Dat spiegelbeeld

Waar 't kind verrukt op wees...

Z ij n lach gedenkend, Zij mijner vaderstad een klachtloos lied gespeeld ;

Als kwam ik in haar beier-toren») De toetsen slaan,

Als mocht omhoog in eenzaamheid verloren De oud-burger haar 't StadsklokkeUed doen hooren, Stel 'k me enk'le steêlui voor — die luistrend blijvèn

staan.

i) Het hier bedoelde slot De Sterrenburg — ook bewoond geweest door het geslacht Van Hogendorp, en in gemeubelden staat, maar langs vermolmde trappen en over zwiepende vloeren nog door mijn ouders bezichtigd _ verdween tusschen zeventig en tachtig jaar geleden. De fclot-naam, zeker nog wel op de landhekken te zien, bleef aan de Boerderij verbonden.

«) Het sedert verbouwde tolhuis bij Overschie, wier Plassen (Uelftwaarts) evenmin meer te vinden zijn als het eenzame poldermolentje halfweg Schiedam. _ , r> „ ,

s) Beets, in zijn aantrekkelijke Ferpooztnga-studie H u 1 b e r t OOtn e 1 i s z P o o t, slaakte bij zijn beschouwing van diens min-natuurUjK opgezet Trouwdicht voor Magdalena Penning en Mr. Simon van der Sleiden den zucht v*n verlichting : „Indien maar eenmaal de toren van Schiedam uit het gezicht is..." J. . „_ jit

Van jongs af heeft me die dankzegging een beetje geprikkeld , enon mijn late bundeltje mist niet alle beteekenis van een schertsend opgenomen handschoen, voor de eer dier stad —waar we den schrijver dér „Camera Obscura" meermalen den katheder mochten zien bestijgen-

li zoo'n meer of min vermetel dioht-ondernemen mijnerzijds, zou Beets zelf — die den ej-Öchiedamschen jongeren kunstbroeder wel mocht — zeker heimelijk schik hebben gehad.

Sluiten