Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wij zagen, onder ons, de zwellende banieren aanzwaaien op den wind en golven in de zon en 't levendige licht den blijden morgen vieren aan trans en geveltop. — De zomerdag begon.

Bij Wolken trok, over de glinsterige daken afwalmend op de stad, het donkere geluid der klokken en verslonk en doolde weg. — Dan braken galmende vlagen weer van alle torens uit.

Een lustiger geklepel buitelde daarboven als duiven, duikend en klapwiekend om een Vlucht grootere vogels, die met grauwe veeren schoven in den verheven dag en voeren op de lucht.

Doch schooner dan met kracht van klokken en koralen, waardoor van heinde en ver het wonder werd gevierd, bleek ons de schemering van onbezochte zalen, bleek ons de stilte van de kloosterhal gesierd.

Onooitdoorschouwdeprachtvandiepversmoltenkleuren, o nooit doorgrond geluk om een bewogen lijn, — geen kostelijker heil kan oog en hart gebeuren, dan waar zij tot üw rust, Van Eyck, genaderd zun.

Geen vriendelijker licht is ooit den mensch verschenen, geen zekerder genade is ooit aan hem vervuld, dan waar de priester knielt op de gekleurde steenen en van haar troon de Maagd zijn vaste aanbidding duldt.

Wij stonden, onbewust van wat ons hield bewogen, onwetend van wat ging, wat kwam of was geweest.— Wij stonden, hand in hand, met diep-aandachtige oogen voor 't eeuwig morgenlicht. — Het was Maria's feest.

(Uit: Getijden.)

Sluiten