Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De schipper aan het hooge boord

Houdt stram een wijle stand, Als had hij nog een roep gehoord

Ver uit het vlakke land.

Zijn strenge mond klemt stug en stroef,

Als spreekt hij weinig meer; Dan keert hij naar de donkre roef

En daalt er langzaam neer.

Maar aan het roer staat slank en blond

Een vrouw nog jong gelijnd. Haar droomt een glimlach om den mond,

Die, rood, te bloeien schijnt.

OP HET WATER BIJ AVOND

'k Daat de riemen, die nog plassen,

In het zwarte water niet En beluister 't roerloos wassen

Van de stilte in 't oeverriet.

En mijn boot ligt uit te glijden,

— Nauwlijks wint zij nog wat'stroom — En mijn handen wachten beide

Op het spel met riemen loom.

Achter uit de vlakke weiden

Glanst een herfstig-gouden schijn.

't Is de maan, die niet kan lijden, Dat de landen donker zijn:

'k Ben alleen, mijn vreugde huivert Donkrend in mijn droomen neer,

Als een schaduw, die verzuivert In het zonverlaten meer.

Sluiten