Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een klokje ontwaakt, en trilt, de luchten dóór, Zijn zuivre zilvering van lichte slagen, En nogmaals treedt dit ééne beeld mij vóór, Het liefste dat mij heugt uit al uw dagen :

Hoe gij bij nachte zachtjes uit uw cel Getreden, stondt ten metten-zang te luiden. Dan, zwart-gesluierd, schreedt ter bidkapel Twee stille reien vóór van Kristi-bruiden.

Het kerkje gloeide uit al zijn ramen goud, Wijl psalmen vroom uit volle harten welden, Een gele weerschijn huiverde over 't woud, Ver stierf een na-klank uit in duistre velden.

En menig doler, euvel van gemoed, Die zonde zocht langs diep-gezonken paden, Om 't zoet gezang, den groet van ramen-gloed, Knielde in berouw en bad met haar die baden.

Zoolang uit ranken toren 't klokje bad, De heiige beurtgezangen smeekend stegen, Stond ongezien op landgehucht en stad Een hebt van zoen en zegen neêrgezegen ....

De paden duistren. 't Verre klokje luidt. O kleppend bedeklokje van de Klaren, Óp hoeveel donkre steden klaagt gij uit Uw smeekgeluid sinds zeven honderd jaren ?

Klink voort, klein klokje, nood nog luide en lang Ter bede, maagden die hun zuivre handen, Ten hemel heffen bij hoog boet-gezang, Want ach ! de nacht is dalend op de landen.

Sluiten