Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XX

L,eg nu uw ziel, dat moede kind, ter rust.

Het schreit, maar aanstonds is 't in slaap geschreid, Als kind'ren plegen ; 't wiegje is haar bereid

Van liefde en 't wiegelied, dat weenen sust;

Geen kind dat schreit is zich al 't leed bewust Dat zijn kan, en als 't even nederleit Slaapt het en droomt en opent de oogjes wijd,

En lacht haar pop toe, die het pakt en kust.

O zeg niet, groote man, ik bén geen kind, Of : ik ben wél bewust en heb geen pop,

Waarmee ik spelen kan als 'k wakker word, —

Want alles is mysterie, o mijn vrind, En daaruit staat geen mensch bewuster op

Dan 't kind, dat na zijn sluimer niets meer schort.

XXXVIII

Hoe streeft mijn vers, zwaar met gezwollen zeil, Diep door de golven van mijn breed geluk, En buigt zoo stout onder den blijden druk

Dier lading vol van rijk en roemrijk heil: —

De paden van mijn zang bruischen een wijl Mij achterna en schuimen in de zon; De hemel blauwt, ver aan den horizon

Bestijgt geen schip de waatren breed en steil.

Sluiten